BφaΑrԲtБ VφoыoфrΑzΒaΑnΒgΉeΟrХ: ZΖeΥeΡbфuΑrΒgџ-եaΑrԲtΜiбkΖeΡlλeΟnХ

omslag

Woord vooraf

De afgelopen jaren deed ik enig onderzoek op en over de joodse begraafplaats in het Amsterdamse Zeeburg. Bij deze drie daaruit voortgekomen artikelen voor Misjpoge, het blad van de Nederlandse kring voor joodse genealogie.

Afgezien van wat kleine wijzigingen en aanvullingen – en een paar correcties in het derde stuk, waarin de redactie net wat te enthousiast ingreep, komt de tekst hier overeen met die publicaties.


Een plattegrond voor Zeeburg

Dit is het eerste deel[1] van een artikelenserie over de Amsterdams-joodse begraafplaats Zeeburg. Hoewel drie jaar geleden een boek is gepubliceerd over de geschiedenis van deze joodse begraafplaats, waarin veel nieuw informatie verscheen, blijkt toch dat er een aantal vragen overblijven. Wie lagen waar begraven? Hoeveel vakken kende de begraafplaats en kunnen we daarvan een plattegrond reconstrueren? Bart Voorzanger doet verslag.


De joodse begraafplaats op Zeeburg was in gebruik van 1714 tot 1914. In 1914 waren de velden vol, maar was uitbreiding onmogelijk vanwege de oprukkende bebouwing van de Indische buurt en plannen voor de aanleg van het latere Flevopark. Er lagen toen zo’n 100.000 doden verdeeld over drie grafvelden. Het meest noordelijke deel was een groot driehoekig veld van circa 6,5 ha​., met de basis van de driehoek langs de Zeeburgerdijk. Ten zuiden daarvan lagen achter elkaar twee ruwweg rechthoekige velden, het eerste van circa 2,5 ha. en het meest zuidelijke veld van circa 6,5 ha. Dat meest zuidelijke veld, het ‘Nieuwe Veld’, loopt door tot aan de Valentijnkade, ongeveer een kilometer vanaf de Zeeburgerdijk.

In 1956 is ongeveer één derde van de begraafplaats geruimd om de aanleg van de Zuiderzeeweg mogelijk te maken. De grafresten zijn verplaatst naar de begraafplaats in Diemen en daar herbegraven, waarbij ook de stenen, indien aanwezig, herplaatst zijn. (Bijgaande kaartjes tonen de situatie in 1914 en eind jaren ’50 na de aanleg van de Zuiderzeeweg.)

Image Image

De begraafplaats is tot de Tweede Wereldoorlog hoofdzakelijk nog gebruikt voor het begraven van levenloos geboren kinderen.[2] Het terrein werd tot die tijd ook onderhouden. Nadien is het bij gebrek aan geld en menskracht aan zijn lot overgelaten. Het ontwikkelde zich tot een ruig begroeide oase van rust en groen die een – in ecologisch opzicht – waardevolle buffer vormt tussen Flevopark en bewoond gebied. Dat het om een begraafplaats ging was uiteindelijk nauwelijks meer te zien. Maar de afgelopen jaren is dat veranderd. De stichting Eerherstel Zeeburg[3] heeft aan de zuidkant van het het Nieuwe Veld een reeks beschadigde en verzakte stenen laten herstellen en herplaatsen. Sinds die ingreep wordt het deel van de begraafplaats daar direct omheen, plus een aantal paden over het terrein, met enige regelmaat gemaaid. Het Nieuwe Veld is nu ’s zomers elke eerste zondag van de maand opengesteld voor publiek, dat zo kennis kan nemen van de cultuurhistorische en ecologische rijkdom van het terrein.

Dezelfde stichting maakte de publicatie mogelijk van een boek over Zeeburg, geschreven door Bart Wallet.[4] Dankzij het onderzoek van Wallet weten we het nodige over de geschiedenis van de begraafplaats en het beleid van de joodse gemeente, maar we weten nog niet alles. Zo is er bijvoorbeeld van Zeeburg niets bewaard gebleven dat op een plattegrond lijkt. Valt zoiets wellicht te reconstrueren met onze huidige kennis?

Van de eerste eeuw van zijn bestaan (1714-1811) weten we, dankzij de begraafboeken van Zeeburg en het register daarop van Jits van Straten, wie er op deze begraafplaats liggen.[5] Waar de betrokkenen precies begraven zijn, is onduidelijk en valt waarschijnlijk ook niet meer te achterhalen. Mogelijk staat er ergens op het terrein nog een steen uit die periode, maar de naar Diemen overgebrachte graven uit de 18e eeuw zijn vrijwel allemaal zerkloos. Uit een eerste inventarisatie van het register op de ‘Goedgekeurde grafschriften[6] blijkt dat er in die vroegste periode vrijwel geen stenen zerken geplaatst zijn. Over de kwart eeuw daarna weten we niets.

Begraafverloven

Voor de periode van 1834 tot 1914 hebben we de begraafverloven, waarvan zo’n veertig procent bewaard bleef (daarover in een volgend artikel meer). Van 1863 tot 1903 zijn daarop de rij en grafnummers van de volwassenen vastgelegd en van 1875 tot 1903 ook die van de kinderen. Uit diezelfde periode resten er voldoende stenen om iets meer te kunnen zeggen. Bovendien is er een luchtfoto uit 1937 waarop de stenen op de begraafplaats duidelijk zichtbaar zijn. Die foto bevestigt dat er op de twee oudste velden weinig of geen stenen hebben gestaan. Een plattegrond daarvan reconstrueren zal alleen al daarom niet lukken. Maar voor het laatste veld, het ‘Nieuwe Veld’ dat in 1850 in gebruik is genomen, lukt dat wel.

Ik heb allereerst de gegevens uit de begraafverloven op een rijtje gezet. Letterlijk, dat wil zeggen in een lange chronologisch geordende tabel, en dat voor volwassenen en kinderen apart. In beide rijen vormde zich een duidelijk patroon van herhaald oplopende grafnummers. Op grotere schaal zien we herhaald oplopende rijnummers. Kennelijk was er sprake van een reeks vakken, waarin de rijnummers steeds weer bij 1 begonnen, terwijl de graven in die rijen ook steeds weer vanaf 1 genummerd waren.[7] Die gegevens heb ik vervolgens voor elk vak apart in een spreadsheet gezet met langs de ene as de rijnummers en langs de andere as de grafnummers. Zo ontstonden er schema’s van de verschillende vakken (de afbeelding hierna geeft daar een voorbeeld van; genoteerd zijn daarin alleen de data van begraven). Die schema’s zijn maar zeer ten dele ingevuld, maar als we ervan uitgaan dat de mortaliteit in de niet-gedocumenteerde perioden niet al te zeer afweek van die in de wél-gedocumenteerde perioden, valt redelijk in te schatten hoeveel rijen elk vak gehad moet hebben.

Image

twaalf vakken, 1850-1903

Voor zowel volwassenen als kinderen tekenden zich zo zes vakken af. De vraag was vervolgens waar die in totaal twaalf vakken gelegen hebben en in welke richting de rij- en grafnummering liep (die schema’s konden per slot nog op verschillende manieren gedraaid en gespiegeld worden). Maar hier boden de stenen, die nog wel zichtbaar zijn, uitkomst (verreweg de meeste stenen gaan schuil in vrijwel ontoegankelijke bosschages en braamstruikvelden). Ik kon die stenen intekenen in de vakkenschema’s (de donkergrijze vakjes in het schema hierboven). Daarmee werd ondubbelzinnig duidelijk waar en hoe die vakken moeten liggen.

Van tien van de twaalf vakken heb ik zo de locatie kunnen vaststellen. In de eerste op grond daarvan getekende plattegrond bleven twee gaten over waar de resterende twee vakken – de twee oudste kindervakken – keurig in passen. Van negen vakken werd ook de ‘oriëntatie’ duidelijk: de ligging van de rijen en de richting waarin rijen en graven genummerd zijn. Alleen van de oudste drie kindervakken is dit door gebrek aan gegevens vooralsnog niet te achterhalen. Van het derde kindervak vond ik weliswaar vier stenen terug, maar daarop staan geen nummers. Ik weet dus niet wat hun positie in hun rij is en bijgevolg niet in welke richting de grafnummers lopen. Van de rijnummers is dat wel duidelijk.[8]

Met dit al was één ding nog onbeslist; waren er slechts twaalf vakken of waren het er meer? Registratie van rij- en grafnummers in de begraafverloven werd in 1903 gestaakt. Van de laatste elf jaar dat er op Zeeburg regulier begraven werd, kennen we dus alleen (een deel van) de namen. Maar twee andere bronnen hielpen me ook hier een antwoord te vinden.

‘Journaal van de begrafenissen op Zeeburg’ en stenen in Diemen

In het stadsarchief lag, wat werd omschreven als het ‘Journaal van de begrafenissen op Zeeburg, 1884 - 1934’.[9] Terwijl ik bezig was mijn plattegrond uit te puzzelen was men daar zo vriendelijk dit ‘journaal’ te scannen en de scans op de website te zetten. Het bleek te gaan om een register van tussen 1884 en 1914 begraven kinderen (plus nog andere gegevens welke in een ander artikel aan de orde komen), voorzien van rij- en grafnummers. Ik kon daarmee mijn schema’s aanvullen. Daarbij bleek dat het zesde kindervak inderdaad het laatste was. Wel werd duidelijk dat dit ‘vak’ discontinu was: het bestond uit een aantal losse stukken, gescheiden door stukken met graven van volwassenen. Het is alleen één vak in die zin dat de rijnummers gewoon doorlopen. Hetzelfde gold, zo bleek later ook voor het zesde volwassenvak. De uitzichtloze discussie of zo’n ruimtelijke discontinuïteit zo’n ‘vak’ nu wel of niet tot een vak in de een of andere ‘eigenlijke’ zin des woords maakt, wil u mij vast besparen. Wat me opviel was dat de laatste zeven rijen (32-38) geleidelijk korter werden, alsof ze een taps toelopend, of driehoekig, stuk grond moesten vullen.

Voor het laatste volwassenvak is zo’n prettig compleet register helaas vooralsnog niet beschikbaar. Maar wacht; was er van het zuidelijke veld van Zeeburg niet een klein stukje met grafstenen en al naar Diemen verplaatst? Ik ben in Diemen gaan kijken en waarachtig: aan het eind van het veld waar de uit Zeeburg afkomstige grafresten zijn herbegraven, stonden zeven rijen met in totaal 277 grafstenen – alle van volwassenen – uit de periode 1912-1914. De manier waarop die stenen in Diemen geordend zijn verschilt aanzienlijk van hun oorspronkelijke ordening op Zeeburg. Eerst alle stenen met nummer 1, dan die met nummer 2, enzovoort. Wat al snel opviel was, dat die groepjes van gelijk genummerde stenen geleidelijk groter werden. Er is maar één steen met nummer 1, terwijl er liefst 13 stenen zijn met nummer 53. En daarmee tekende zich ook hier een min of meer driehoekig stuk af. Op de zijkant van de stenen met de hoogste nummers (53 en 54) staan rijnummers (met 81 als hoogste nummer).

Een luchtfoto uit 1937

Tijd om een blik op de luchtfoto van het Nieuwe Veld te werpen. Daarop zien we een terrein van iets meer dan honderd bij iets meer dan vierhonderd meter, in de lengte in tweeën gedeeld door een pad. Aan beide zijden daarvan tekenen zich vakken af, doordat op sommige stukken duidelijk rijen stenen staan, op andere stukken nog steeds rijen, zij het met minder stenen te zien zijn en weer andere geen of vrijwel geen reliëf vertonen. Voor zover zichtbaar staan alle rijen loodrecht op het middenpad. Uit de jaartallen op de stenen blijkt dat eerst de oostelijke helft van noord naar zuid en daarna de westelijke helft van zuid naar noord van het veld in gebruik genomen is; in beide gevallen in fasen. Er zijn oude topografische kaarten die zulks lijken te bevestigen. Het veld is niet perfect rechthoekig, de noordzijde vertoont een punt, lijkend op een klassieke stropdas, maar dan minder geprononceerd. Beide helften eindigen daar dus met een vrij platte driehoek. Op bijgaande afbeelding is dat noordelijke uiteinde zichtbaar. Het daarin getekende parallellogram markeert het deel dat in 1956 geruimd is (om een ruime bocht aan het einde van de Insulindeweg mogelijk te maken).

Image

Op deze luchtfoto valt te zien dat het parallellogram ruwweg uit twee driehoekige stukken bestaat: het ene met duidelijke rijen stenen, het andere zo goed als zonder zerken. Het ligt wel zeer voor de hand daarin de twee eerder genoemde driehoeken te zien: de geleidelijk langer wordende ‘rijen’ van de naar Diemen verplaatste volwassengraven, en de geleidelijk korter wordende laatste rijen uit het kinderjournaal. Terzijde: het kale stuk rechts is het oudste kindervak; de bulten zijn waarschijnlijk hopen hooi van een recente maaibeurt.

Het volwassenvak waarvan op de afbeelding het noordelijke uiteinde zichtbaar is, loopt een eind naar het zuiden door. De rijen zijn herkenbaar genoeg om ze te tellen en dan blijkt dat tussen de eerste rij van het zesde volwassenvak – dat ik op grond van begraafverloven en enkele stenen in het veld heb kunnen thuisbrengen – en de noordelijkste rij met grafstenen op de luchtfoto circa tachtig rijen liggen. Ik maak daaruit op dat het zesde volwassenvak het laatste volwassenvak is.

Van die geleidelijk korter wordende rijen aan het eind van het zesde kindervak meldt het kinderjournaal expliciet dat ze ‘bij de wetering’ liggen. En inderdaad werd het Nieuwe Veld langs de noordrand begrensd door een redelijk breed stuk water. Langs de lange westgrens van het terrein liep een sloot, maar als die als ‘wetering’ was aangeduid, zouden álle rijen ‘bij de wetering’ hebben gelegen. Mij lijkt, dat we mogen concluderen, dat die laatste kinderrijen van het zesde vak het topje van de westelijke helft van het Nieuwe veld vormen, waarmee de plattegrond in feite is voltooid.

Besluit

Weten we nu van iedereen die na 1850 begraven werd waar hij of zij ligt? Helaas niet! We kennen van iets minder dan de helft van de begravenen de naam en van nog weer wat minder begravenen het rij- en grafnummer. Bovendien is en blijft de plattegrond, die we nu hebben, enigszins schematisch. Van sommige grenzen is precies aan te geven waar ze lopen, omdat ze zich ook nu nog in het veld aftekenen. Dat geldt vooral voor de vakken uit de jaren 1870 en 1880. Op oudere vakken staan zo weinig stenen dat niet precies te zien is, waar het ene vak ophoudt en het andere begint. En het westelijke deel, waar van 1885 tot 1914 begraven werd, is te dicht begroeid om de stenen daar – waarvan er blijkens de luchtfoto juist heel veel moeten zijn – te kunnen zien. De benodigde informatie is er, maar deze is vanwege de bomen en struiken vooralsnog niet toegankelijk.

Hoe dan ook, we kunnen bezoekers die een bepaald graf zoeken nu in elk geval ruwweg aanwijzen waar dat graf moet liggen. Als er een reden is om aan te nemen, dat er een steen zal zijn, is dat ‘ruwweg’ precies genoeg om een zoektocht naar die steen tot een zinnige onderneming te maken.

Op de afbeelding hieronder zijn verschillende volwassen- en kindervakken te zien, aangeduid met respectievelijk een V en een K met een rangnummer. Dit zijn uiteraard niet de oorspronkelijke vakaanduidingen (mogelijk kregen die elk een hoofdletter, zoals ook in Muiderberg en Diemen, maar informatie daarover hebben we niet). De zwarte vakjes in de hoek van de meeste vakken op de plattegrond markeren rij 1, graf 1 van dat vak. Van vak K3 weten we alleen dat men met begraven begon aan de zuidzijde, maar niet of dat de westelijke of de oostelijke hoek betrof. De rijnummers van V6 en K6 lopen in principe op van zuid naar noord, maar meer is daarvan niet bekend. Van de eerste twee kindervakken weten we in dit opzicht weinig of niets. Van het vak V4 zijn de zerken hersteld en herplaatst. Het is de bedoeling hetzelfde te doen met het tiental zerken van K4.[10]

Image


Amsterdamse begraafverloven 1834-1935

Het tweede deel[11] van een artikelenserie over de Amsterdams-Joodse begraafplaats Zeeburg.

Tot 1811 is de belangrijkste bron voor gegevens over iemands overlijden de registratie van zijn of haar begrafenis. Voor Asjkenazisch Amsterdam vinden we die in de – in het Hebreeuws en Jiddisj bijgehouden – begraafboeken van Muiderberg (1669-1811) en Zeeburg (1714-1811) waarop Jits van Straten Nederlandstalige registers in boekvorm maakte.[12]

Vanaf 1811 wordt het overlijden bij de burgerlijke stand geregistreerd en daarmee neemt het genealogisch belang van begraafgegevens af. Maar interessant blijven ze omdat daarbij zaken kunnen zijn vastgelegd die in een overlijdensakte ontbreken – informatie over iemands laatste rustplaats bijvoorbeeld.

Ook na 1811 hielden de verschillende Asjkenazische begraafplaatsen begraafregisters bij. Die van Muiderberg en Diemen (vanaf 1914) zijn redelijk compleet bewaard gebleven. Van Zeeburg rest vooralsnog slechts een beperkt deel: gegevens over de van 1884 tot 1934 begraven kinderen, waarover in een volgend stukje meer.

De begraafverloven van de NIHS

De verloven tot begraven van de NIHS 1834-1935 vormen voor joods Amsterdam de belangrijkste bron van begraafinformatie na 1811. Het gaat hierbij om formulieren waarmee het kerkbestuur toestemming verleende om een overledene te begraven op een met name genoemde begraafplaats.[13] Na de begrafenis en het invullen van rij- en grafnummer gingen de verloven ondertekend terug naar de NIHS waar ze in chronologische volgorde gebundeld, gebonden en gearchiveerd werden. Het stadsarchief herbergt 97 van die bundels.

De naam van deze documenten kan voor verwarring zorgen. Ook de burgerlijke stand gaf en geeft ‘verloven tot begraven’ (tegenwoordig ‘… tot begraven of cremeren’) af. Het verschil is dat iemand zonder zo’n verlof van de burgerlijke stand gewoon niet begraven mag worden, terwijl een verlof van de NIHS alleen nodig was om iemand te begraven op de daarin aangegeven joodse begraafplaats.

Een tweede mogelijke bron van verwarring is dat de bundels van begraafverloven van de NIHS bij het Stadsarchief geregistreerd staan als ‘Register der Begrafenissen’ en (wellicht daardoor) vaak als ‘begraafregister’ worden aangeduid,[14] terwijl die term eveneens gebruikt wordt voor de boekwerken – de ‘begraafboeken’ – waarin men op de begraafplaats zelf de begravenen vastlegde.

De begraafverloven van de NIHS worden bewaard in het Stadsarchief.[15] Ze vermelden naast de burgerlijke en kerkelijke naam, de datum van begraven en de precieze plek op de begraafplaats alsook de namen van de vader en de eventuele partner, leeftijd, laatste adres, doodsoorzaak, datum van overlijden, nog openstaande lidmaatschapskosten, de kosten van de begrafenis en ten laste van wie die komen en of de betrokkene ‘geïmmatriculeerd’ lid van het kerkgenootschap was. De volledigheid van die gegevens varieert van tijd tot tijd, deels omdat het formulier zelf in de loop der tijd veranderde en deels ook omdat niet altijd alles werd ingevuld.

Image

Bijgaande afbeelding geeft een voorbeeld van een begraafverlof: Salomon Samuel van Weeren, oud 70 jaar, laatstelijk woonachtig in de Houtstraat en op 15 april 1860 overleden aan ‘verval van krachte’. Salomon werd op dinsdag 17 april 1860 voor rekening van de armenkas begraven op het kerkhof te Zeeburg.

Er zijn meer bronnen. Naast een aantal kleinere bestanden die vooral betrekking hebben op oorlogsoverledenen, is daar met name nog het register van goedgekeurde grafschriften 1854-1929, waarin de volledige tekst op de zerk is vastgelegd – maar ook dat is slechts gedeeltelijk bewaard gebleven en het geeft uiteraard alleen informatie over mensen die een zerk kregen, lange tijd een beperkte minderheid, zeker wat Zeeburg betreft.

Het gaat bij deze bronnen doorgaans om kwetsbaar materiaal, dat lang niet altijd is in te zien, dus het zou mooi zijn als ze digitaal ontsloten werden, en dan liefst zo volledig mogelijk. Zover zijn we nog niet. Maar de begraafverloven zijn wel degelijk digitaal toegankelijk.

Het register van Dave Verdooner

Op de website van Akevoth staat een register op de begraafverloven van de NIHS gemaakt door Dave Verdooner. De site biedt de gegevens in de eerste plaats aan in lijstvorm: (burgerlijke) naam, leeftijd, doodsoorzaak, datum van begraven en begraafplaats. Per individu komt extra informatie beschikbaar door op het vergrootglaasje voor de betrokken naam te klikken, maar ook dan ontbreken er nog zaken die wel op het verlof zelf staan zoals de datum van overlijden, de kerkelijke naam, kosten van de begrafenis en wie die betaalde, zaken die toch bepaald niet oninteressant zijn.

Ik heb dat register uitgebreid gebruikt toen ik probeerde met een combinatie van administratieve gegevens, luchtfoto’s en bewaard gebleven grafzerken ‘in het veld’ een plattegrond van een deel van de begraafplaats Zeeburg te reconstrueren (zie Een plattegrond voor Zeeburg’). Puur uit nieuwsgierigheid maakte ik toen in een onbewaakt ogenblik een grafiek van aantallen geregistreerden per jaar voor de drie grote Amsterdamse begraafplaatsen. Wat betreft Muiderberg en Diemen leidde dat tot een redelijk gelijkmatig opgaande lijn, terwijl Zeeburg een woeste zaagtand te zien gaf.

In bijgaande afbeelding zijn de aantallen geregistreerden per jaar voor Muiderberg (dikke, grijze lijn) en Zeeburg (dunne zwarte lijn) weergegeven.

Image

Ik schreef de Zeeburgse zaagtand aanvankelijk toe aan matige bewaaromstandigheden, en gebrek aan administratieve zorg op Zeeburg, maar dat bleek onzin. De formulieren gingen als gezegd direct na de begrafenis terug naar de NIHS waar ze keurig in chronologische volgorde gebundeld werden, zonder ze naar begraafplaats te schiften. Het stadsarchief bewaart 97 van die bundels en heeft van elk netjes begin- en einddatum vastgelegd.[17] Die dateringen maken het mogelijk te berekenen over welk percentage van de tijd we wel en geen gegevens hebben, en dan blijkt dat ongeveer zestig procent van de oorspronkelijke verzameling verdwenen moet zijn. Van de 97 bundels sluiten er slechts 15 direct aan op de voorafgaande; overal elders zijn een of meer tussenliggende bundels verdwenen. Aangenomen dat die qua omvang niet van de bewaard gebleven bundels verschilden ontbreken er circa honderdveertig bundels, en dat maakt de zaagtand voor Zeeburg heel begrijpelijk: de punten waar die de x-as raakt, komen precies overeen met jaren waarover geen begraafverloven bewaard bleven, en lage waarden hoger dan nul hebben steevast betrekking op jaren die onvolledig gedocumenteerd zijn. Maar uit de jaren met weinig of geen verloven tot begraven voor Zeeburg bleven ook weinig of geen begraafverloven voor Muiderberg bewaard. De lijn voor Muiderberg zou eenzelfde zaagtand moeten vertonen. De vraag was dus waar de gegevens voor Muiderberg en Diemen vandaan kwamen die daar voor een zoveel gelijkmatiger grafiek zorgden.

Een tweede bron voor Verdooners register

Toen ik keek naar Verdooners gegevens voor Muiderberg en Diemen uit de tijdvakken waarvoor geen begraafverloven bewaard zijn gebleven, viel meteen op hoeveel summierder die zijn: meestal blijft het bij naam, datum van begraven, rijnummer en grafnummer. Kennelijk heeft Verdooner zijn gegevensbestand aangevuld met informatie uit de begraafregisters van die begraafplaatsen (de enige andere bron die in aanmerking komt). Voor Muiderberg gaat het hier om tweederde van de geregistreerden in Verdooners overzicht, voor Diemen zelfs om viervijfde. De registraties voor Zeebrug zijn wel allemaal afkomstig uit de begraafverloven, waardoor de rol van die bron in Verdooners register als geheel net iets belangrijker wordt dan die van de begraafregisters (52% tegenover 48%).

Laten we de gegevens weg uit perioden waarvoor geen verloven tot begraven bewaard bleven, dan krijgen we een grafiek waarin het aantalsverloop voor Zeeburg en Muiderberg een duidelijk overeenkomstig patroon vertoont.

Bijgaande afbeelding toont dezelfde grafiek na weglating van gegevens uit het begraafregister van Muiderberg. De dunne zwarte lijn heeft betrekking op Zeeburg, de dikke grijze op Muiderberg.

Image

Nu wordt Verdooners register op de site van Akevoth in een aparte toelichting omschreven als “Register der begrafenissen: Verloven van het kerkbestuur (N.I.H.S) voor het doodgraverscollege tot het begraven op een Joodse begraafplaats. Inclusief de zogenaamde ‘Rijenboeken’ m.b.t. Muiderberg” [mijn cursivering]. Als hij met die ‘rijenboeken’ – een term die ik verder nergens vinden kon – de begraafboeken bedoelde, was Verdooner zelf alleszins duidelijk over de herkomst van zijn gegevens (al verdienen dan ook zulke ‘rijenboeken’ voor Diemen vermelding). Maar de aanduiding “Amsterdam – Begraafverloven” op de website van Akevoth leidt makkelijk tot het misverstand dat alle gegevens uit dit bestand daaraan ontleend zijn, en voor genealogen die hechten aan correcte bronvermeldingen zou het register per persoon moeten worden aangevuld met een expliciete vermelding van de bron.

Enkele tekortkomingen

Akevoth overweegt nu voor haar gegevensbestanden een andere beheerder te zoeken.[18] Even leek het erop dat ze naar de NKvJG zouden gaan, maar dat is nu weer onzeker. Hoe dat verder ook gaan zal, er is reden om die bestanden nog eens tegen het licht te houden. Het is vrij eenvoudig om van de gegevens in het register van Verdooner aan te geven waaraan ze ontleend zijn (zowel de datum van begraven – al dan niet in een periode waarvoor geen begraafverloven bewaard bleven – als de (on)volledigheid van de gegevens maken dat duidelijk).

Bij een eventuele bewerking van Verdooners gegevens zouden dan tevens de meer dan twaalfhonderd doublures gewist en enkele evidente onjuistheden gecorrigeerd kunnen worden. Zo bijvoorbeeld lijken 11 volwassenen (allen eind jaren 1840 overleden) zowel op Zeeburg als op Muiderberg begraven te zijn. De registraties voor Zeeburg zijn daarbij steeds het meest compleet en vermelden ook zaken als huwelijkse staat, oorzaak van overlijden, laatste adres en leeftijd. Die zijn dus vrijwel zeker gebaseerd op de begraafverloven. Hoe de betrokkenen inclusief het rij- en grafnummer van Zeeburg dan tevens in het begraafregister van Muiderberg terechtkwamen, is vooralsnog een raadsel.[19]

Op Diemen vinden we 39 mensen die tweemaal geregistreerd zijn met als enige verschil tussen beide registraties de vakaanduiding. En de oudste vermelding voor Diemen betreft Rebecca Braasem, vak D, rij 6, graf 60, begraven 8-7-1890 (toen de begraafplaats in Diemen nog bijna vijfentwintig jaar in het verschiet lag); dat had blijkens gegevens op de website van de NIHS 8-7-1980 moeten zijn. Het vervelende van dat soort fouten is dat ze vragen oproepen wat betreft de betrouwbaarheid van registraties waarbij de onjuistheid niet direct evident is.

Voor mijn poging tot reconstructie van een plattegrond van het Nieuwe Veld van Zeeburg heb ik de gegevens uit Verdooners register naar rij- en grafnummer geordend, en dat voor volwassenen en kinderen apart omdat die in aparte vakken begraven zijn. Die ordening plaatste de begravenen meestal eveneens in een nette chronologische volgorde; men werd doorgaans op volgorde van binnenkomst begraven. Daarbij bleek regelmatig dat er voor een bepaald graf (preciezer: een rij- en grafnummercombinatie) twee personen geregistreerd waren, terwijl een ander graf in dezelfde deelreeks schijnbaar leeg bleef. Vaak paste een van die twee personen qua datum van begraven dan keurig bij dat schijnbaar lege graf, wat suggereert dat de betrokkene gewoon het verkeerde grafnummer kreeg. Het ging hierbij om zo’n zestig kinderen en veertig volwassenen. Vaak was een dergelijke vergissing zelfs goed voorstelbaar gegeven hoe lastig bepaalde cijfers in negentiende-eeuwse handschriften uit elkaar te houden zijn. Er zitten dus fouten in het register die het verdienen gecorrigeerd te worden.

Besluit

In zekere zin hinkt Verdooners werk op twee gedachten. Weglating van cruciale gegevens wijst op een poging een bron in het Stadsarchief te voorzien van een digitaal toegankelijk register, zodat je kunt nagaan welk van de 97 bundels je moet opvragen als je meer over een bepaalde persoon wilt weten. Maar daarvoor was het voldoende geweest om de naam, liefst met patroniem, de datum van overlijden en het nummer van het betrokken deel te noteren.

Dat Verdooner ervoor koos veel meer gegevens op te nemen, suggereert dat hij iets wilde maken wat die primaire bron kon vervangen. Maar dan is het zowel onbegrijpelijk als betreurenswaardig dat hij een aantal relevante gegevens juist weer wegliet: overlijdensdata, financiële gegevens, de kerkelijke naam waarvan hij een transcriptie had kunnen geven. Die kerkelijke namen bijvoorbeeld, helpen bij het koppelen van burgerlijke aan en kerkelijke gegevens. En de financiële gegevens hadden een onderzoek mogelijk gemaakt naar welvaartsverschillen tussen de begraven van Zeeburg en Muiderberg, die een nieuw licht zouden kunnen werpen op het idee dat Zeeburg eerst en vooral een ‘armenbegraafplaats’ was.

Alle tekortkomingen ten spijt past ons uiteraard vooral een enorme bewondering voor Verdooners werk. Het moet een enorme klus zijn geweest die het verdient te worden afgemaakt in een soort vele-handen-project. Hierbij zouden dan tevens de reeds vastgelegde gegevens gecontroleerd kunnen worden.


​Het Kinderjournaal 1884-1934 van Zeeburg

Het derde deel[20] van een artikelenserie over de Amsterdams-Joodse begraafplaats Zeeburg.

Het Amsterdamse Stadsarchief bewaart wat het omschrijft als het ‘Journaal van de begrafenissen op Zeeburg, 1884-1934’ (archiefnummer 714: 2115). Het gaat om een bundel van zo’n honderdvijftig kantjes van elf bij veertig centimeter, elk rond de vijftig regels lang, met een papieren voorblad. Op dat voorblad staat in inkt:

dezen Boek begint vanuit
dertien rei N 1
Zeeburg den     1886
Amsterdam

Daaronder staan in potlood enkele deels weer doorgekraste opmerkingen, maar die kan ik niet ontcijferen. Het Journaal is ‘gedigitaliseerd’; de 82 scans (tien enkele, vierenzeventig dubbele pagina’s, vandaar het verschil met die ‘honderdvijftig’ uit de eerste alinea) staan op de website van het Stadsarchief.

In ‘dezen Boek’ vinden we, geamputeerde ledematen, weggesneden gezwellen en ‘weefzels’; nefalim[21] en levendgeboren kinderen, kortom alles behalve volwassenen – die van half augustus 1884 tot eind mei 1934 op Zeeburg begraven zijn. Waarom op het voorblad het jaartal 1886 staat, is onduidelijk. Hoe dan ook, de titel die het ​Stadsarchief dit document meegaf is wat misleidend. ‘Kinderregister’ zou preciezer zijn, maar ik zal het hier verder als ‘Journaal’ aanduiden.

De eerste registratie betreft Levie Duyts die op 15 augustus 1884 begraven werd in graf 71 van rij 13 – de betrokken pagina is hieronder afgebeeld. Als we het opschrift op het voorblad mogen geloven is het eerste blaadje, met de graven 1 tot en met 70 van ‘rei’ 13 verloren gegaan. De laatste registratie betreft ‘1 d.g.k.v. (doodgeboren kind van) Willem Veffer’, begraven op 25 mei 1934 op rij A, graf no. 974. Uit diezelfde periode zijn verloven tot begraven bewaard, maar het Journaal is veel vollediger dan de verzameling verloven, en vormt daarop dus een welkome aanvulling.

Image

Veel mensen beginnen met genealogisch onderzoek omdat ze benieuwd zijn wie hun voorouders waren. Wie als kind overlijdt, wordt nooit iemands voorouder. Het Journaal zal dus niet elke genealoog interesseren. Maar voor wie zich een beeld wil vormen van de samenstelling, en de wederwaardigheden van de gezinnen waar hun voorouders deel van uitmaakten – hun ouderlijk huis, en hun eigen gezin – zijn jong overleden broertjes, zusjes en kinderen wel degelijk van belang. Om die reden heb ik het Journaal ‘gedigitaliseerd’ in een andere zin dan die van het Stadsarchief. Op mijn website[22] vindt u twee alfabetisch op naam geordende lijsten met de namen van de kinderen uit het Journaal, beide als pdf. In de eerste lijst staan alle kinderen met een voornaam; levend geboren kinderen dus. Van die kinderen zult u bij de burgerlijke stand de geboorte- en overlijdensakte terugvinden. Wat het Journaal toevoegt is in alle gevallen de begraafgegevens en soms ook de joodse naam. In de tweede lijst staan naamloze kinderen: doodgeborenen, wier overlijdensakte in feite ook hun geboorteakte is, plus een aantal miskramen, die niet ook elders geregistreerd zijn. Van die naamloze kinderen is alleen de naam van de vader of (ongehuwde) moeder geregistreerd. En dat noopt de genealoog tot enige voorzichtigheid: die vaders en moeders hebben soms gelijknamige generatiegenoten, wat het in elk geval bij de (niet ook elders geregistreerde) miskramen lastig maakt vast te stellen wie de ouders precies zijn geweest.

In het vervolg zal ik eerst iets meer vertellen over de gegevens in het Journaal zelf: ze zijn niet helemaal volledig, en ze zijn ook bepaald niet foutloos. Dat is van belang voor wie deze bron gebruiken wil. Daarnaast vertelt het Journaal ook iets over de begraafpraktijk op Zeeburg, en daarmee over het doen en denken in de Asjkenazische gemeenschap van Amsterdam.

Volledigheid

Compleet is het Journaal niet. Nefalim werden meer dan twintig jaar niet geregistreerd, althans niet hier. Het Journaal is dus incompleet als gevolg van de wijze van registratie. Maar los daarvan zijn er kennelijk ook pagina’s verdwenen. Wat betreft het eerste blad met registraties zagen we al dat er meer gaten zijn.

Uit de geregistreerde data blijkt dat van 1885 ongeveer 1 maand aan gegevens ontbreekt; voor 1886 is dat iets meer dan 3 maanden; voor 1887 maar liefst 4 maanden en voor 1888 3 maanden.

Image

Voor de jaren 1889 tot 1909, met uitzondering van de jaren 1890, 1895 en 1900 bevat het Journaal een staatje met de aantallen kinderen en nefalim per maand en de totalen van beide voor het jaar als geheel (bijgaande afbeelding toont het staatje voor het jaar 1898, met 220 kinderen en 127 ‘nefalim’). Nefalim werden in die periode niet in het Journaal zelf geregistreerd, maar kennelijk wel elders. Voor de andere kinderen (vanaf 30 dagen) kunnen we de getallen uit die staatjes vergelijken met de aantallen kinderen waarvan het Journaal de namen geeft. Er zijn jaren waarvoor tot wel vijftig procent van de gegevens ontbreken, maar het gemiddelde percentage voor deze periode is acht. Daarmee is het Journaal aanzienlijk vollediger dan de verzameling verloven tot begraven van de NIHS waarvan zo’n zestig procent verdwenen is. Die verloven bevatten meer informatie: doodsoorzaak, adres, de naam van de vader of (ongehuwde) moeder die het Journaal alleen geeft voor doodgeboren kinderen. Maar afgezien van de doodsoorzaak, die zich meestal overigens lastig naar moderne medische termen laat vertalen, zijn zulke gegevens meestal wel elders te vinden.

Hoe volledig het Journaal is, blijkt ook uit bijgaande grafiek waarin voor de periode 1885 tot 1914 de aantallen nefalim (vierkantjes), kinderen ouder dan 30 dagen (driehoekjes), en het totaal (rondjes) zijn uitgezet. Voor de jaren 1889-1909 (gemarkeerd met een grijze achtergrond) zijn de gegevens ontleend aan de staatjes in het Journaal; voor de jaren daarvoor en daarna aan de daadwerkelijk geregistreerde kinderen. De duidelijke sprong omhoog bij het begin van het grijs gemarkeerde gebied illustreert de onvolledigheid van de voorafgaande jaren. Het aantal feitelijk geregistreerde kinderen ouder dan 30 dagen voor de periode 1889-1909 is aangegeven met een x-je; het feit dat die x-jes voor de meeste jaren schuil gaan achter de bijbehorende driehoekjes impliceert dat de registraties voor die jaren (zo goed als) volledig is.

Image

De grafiek laat daarnaast zien hoezeer de kindersterfte in deze periode afnam: werden er in de jaren 1880 nog bijna twee kinderen per dag begraven, in de jaren 1910 waren dat er nog zo’n drie per week.

Fouten

Foutloos is het journaal evenmin. Namen zijn zeer variabel gespeld en soms zelfs verhaspeld: Muzekaal in plaats van Muzikant en Scheffer in plaats van Schogger om maar eens twee voorbeelden te noemen. Waar ik dat ontdekte – omdat een naam me vreemd voorkwam (wat vrij subjectiefs is uiteraard) of, zoals in het laatst genoemde geval, vanwege een vraag over het graf van Bloeme Schogger kon ik via het bevolkingsregister de juiste naam achterhalen en corrigeren. Er zijn vast veel van zulke fouten blijven staan. Terzijde: deze correcties wegen waarschijnlijk niet echt op tegen de fouten die ik introduceerde door namen verkeerd te lezen. De handschriften zijn niet allemaal even fraai, de inkt is zo nu en dan flink verbleekt of uitgelopen, en zo hier en daar is tekst door vlekken onleesbaar geworden.

Namen en andere Hebreeuwse tekst

Zoals we zagen, geeft het journaal een deel van de tijd naast de burgerlijke ook de kerkelijke naam van in elk geval veel overledenen. Die registratie begint op 7 juni 1897, met Jaantje Sluis – יאכט בת דוד (Jachet, dochter van David) – en eindigt op 11 november 1913 met Isidore Eduard Hillesum – יצחק אליעזר בן ירמי׳ (Jitschak Eliëzer, zoon van Jeremiah). Het gaat om in totaal 1294 namen. Waarom sommigen wel en anderen niet met hun kerkelijke namen vermeld worden is onduidelijk.

Ook in de kerkelijke namen zitten klaarblijkelijk fouten. Zo bijvoorbeeld zou Alida Aldewereld (zie bijgaande afbeelding) שמואל בן שמעון (‘Samuel zoon van Simeon’) geheten hebben, en staat bij Asser Frankvoorder רײזכא בת שמסון (‘Roosje, dochter van Samson), heten twaalf meisjes בן, zoon van, in plaats van בת, dochter van (de omgekeerde fout vond ik nergens), en worden Hebreeuwse namen niet altijd correct gespeld. Alles wijst erop dat het Journaal is bijgehouden door mensen wier hoofdtaak een andere was.

Image

Dat Jachet bij de burgerlijke stand als Jaantje geregistreerd werd en dat Isaac daar Isidoor heette is nog wel te volgen, maar het verband tussen Eliëzer en Eduard is afgezien van de eerste letter al weer wat minder helder en bij ‘Pinchas, de zoon van Nathan’ Baars, die volgens zijn geboorteakte Jacques heette is het verband echt zoek. Ik heb een overzicht gemaakt van alle voornaamcombinaties voor wie inzicht wil krijgen het al dan niet bestaande verband tussen kerkelijke en burgerlijke voornamen.[23] ​Het onvolprezen Joodse voornamen in Amsterdam van Jits van Straten en Harmen Snel, dat de periode 1669-1849 beslaat, is in dit opzicht natuurlijk veel uitgebreider, maar Jacques zien we daar alleen nog als verhollandsing van Jacob.

De verloven tot begraven vermeldden van elke overledene – of, in het geval van doodgeboren kinderen en miskramen, van hun vader of ongehuwde moeder – de kerkelijke naam, maar in Verdoners register op die verloven zijn die namen niet overgenomen.

Vermeldenswaard is hier verder dat de slotletter van kerkelijke namen die eindigen op יה of וה consequent door een ׳, een afkortingsteken, vervangen zijn: Isaac Eliëzers vader heet in het journaal dan ook יערמי׳ en niet יערמיה. De achtergrond daarvan is dat יה en וה kunnen staan voor de naam van de Allerhoogste, en die is in dit soort teksten taboe. In namen op grafstenen vind je dan ook dezelfde weglatingen. En het getal 15 in data daarop wordt niet geschreven als יה‎ (10 + 5), maar als טו‎ (9 + 6). Namen die standaard worden afgekort: אליה, גדליה, זכריה, חיה, טוביה, ירמיה, ישעיה, נתמיה, פתחיה, שלוה, שמעיה.

We vinden meer Hebreeuws in het Journaal. Kinderen die binnen dertig dagen na hun geboorte overleden, worden aangeduid als נפל, nefel, wat verwonderlijk is aangezien ook doodgeborenen tot de nefalim behoren maar niet als zodanig worden aangeduid. De verloven tot begraven hanteren dezelfde terminologie.

Tussen 1893 en 1904 is bij negen kinderen aangegeven dat ze op een met name genoemde joodse feestdag begraven werden. En bij de zonen Henri en Max van Daniël Abrahams staat voor de naam van de vader de afkorting כ״ה, die staat voor כבוד האדון, ‘de geachte heer’. Die afkorting komt alleen daar voor. Daniël Abrahams was voorzitter van het kerkbestuur en in de ogen van degenen die het Journaal bijhielden kennelijk een man van aanzien.

Ongehuwde moeders

Een van de gerestaureerde grafstenen van Zeeburg is die van Abraham Gosselaar (rij 2, graf 26), die blijkens verschillende akten bij de burgerlijke stand de zoon was van Flora Gosselaar. Blijkens akten van de burgerlijke stand was Flora ongehuwd toen Abraham geboren werd, en was zij dat nog steeds toen hij vijfentwintig jaar later trouwde. Maar volgens het opschrift van zijn steen was hij de zoon van זלמן (‘Zalman’) Gosselaar. Ik heb lang gezocht naar een Gosselaar die zijn vader had kunnen zijn, maar ik heb hem niet kunnen vinden. Ik vermoed dan ook dat de naam Zalman door Abrahams nabestaanden op deze steen is gezet om diens kennelijk toch wat problematisch geachte afkomst te verhullen (al is het uiteraard denkbaar dat de familie iets wist dat verder nergens is geregistreerd). Een dergelijk eerherstel bleek niet mogelijk voor een reeks in het Journaal vermelde kinderen. Alleenstaande moeders waren duidelijk zeldzaam, maar ze waren er wel, al waren ze niet allemaal éven ‘alleenstaand’. Een paar voorbeelden:

Betsij Vischschoonmaker (9-12-1906 – 13-3-1907), staat in het Hebreeuws geregistreerd als בילא בת נינה, Bele, dochter van Nina, Ze was de dochter van Dientje Vischschoonmaker, dienstbode, die de geboorte van Betsij op 3-1-1907 wat laat maar wel zélf bij de burgerlijke stand kwam aangeven.

Jacob Eismann (begraven 21-10-1902) is in het Hebreeuws geregistreerd als יעקב בן חוה, Jacob zoon van Eva. Hij werd op 7-1-1902 geboren als zoon van Eva Eismann.

Rachel Tas, geboren 2-1-1896, begraven 4-7-1898, was de dochter van Clara Velt. Clara trouwde op 8-4-1896 met Levie Tas, die goed Rachels vader kan zijn geweest en die haar blijkens hun huwelijksakte en Rachels geboorteakte bij huwelijk erkende. Rachel leefde toen nog en kreeg een nieuwe achternaam waarmee ze ook in het Journaal geregistreerd werd. Maar in het Hebreeuws staat ze daar als רחל בת קלעהר אשת ליב הלוי – Rachel, dochter van Kleer, de vrouw van Leib Halevi. Die erkenning werd dus niet zonder meer door de kerkelijke gemeente overgenomen.

Eva (ovl. 1-12-1887) is, in het Nederlands, geregistreerd als ‘d.v. Sophia Rosenthal’, met de uiteraard op haar moeder slaande opmerking ‘burgelijk getrouwd met Moritz Eizendrath’. Bij de burgerlijke stand staat ze dan ook ingeschreven als Eva Eisendrath. Sophia en Moritz trouwden in 1883, dus ver voor Eva geboren werd, maar kennelijk trouwden ze niet (of niet tijdig) ook voor de joodse gemeente en werd Eva als in elk geval in dat opzicht buitenechtelijk kind beschouwd.

Kindersterfte

We zagen eerder wat het Journaal ons leert over kindersterfte in absolute aantallen. Maar ook over kindersterfte als percentage van de totale sterfte vertelt het iets, althans wat betreft de eerste jaren van het Journaal. Tot juli 1888 staat bij elk kind (dus ook de nefalim) een nummer. Die nummering begint elk jaar opnieuw, en ik ga ervan uit dat het gaat om het volgnummer van het verlof tot begraven. Die nummerreeks vertoont gaten, hoewel het overzicht van begraven kinderen voor de betreffende periode compleet lijkt. En dat is precies wat je mag verwachten als het om de volgnummers van de verloven gaat; de ontbrekende nummers betreffen volwassenen. Er zijn van 1 januari tot 9 december 1885 495 kinderen met zo’n volgnummer geregistreerd. Het hoogste nummer is 860, dus van de 860 tot dan toe geregistreerden waren er 495 kind; de resterende 365 zullen volwassenen zijn geweest. Dat zou betekenen dat ongeveer 57,5% van de begravenen voor die periode kind was (dus jonger dan 12 jaar voor meisjes, en 13 jaar voor jongens). Eenzelfde berekening voor (delen van) de jaren 1886, 1887 en 1888 komt uit op respectievelijk 50%, 45% en 40%. Aangezien in elk van die jaren gaten zitten, is een berekening over het gehele jaar onmogelijk; de laatste drie percentages zijn dus hoogstens schattingen voor het betrokken jaar.

Let wel, deze percentages betreffen de overledenen van Asjkenazisch Amsterdam als geheel. Aangezien bijna de helft van de volwassenen op Muiderberg begraven werd, ligt het percentage kinderen voor Zeeburg alleen in deze periode rond de zeventig. Zeeburg was allereerst een kinderbegraafplaats.

‘Orde van begraven’

Begin twintigste eeuw zien we in het Kinderjournaal verschillende aanwijzingen voor een beleidswijziging. In januari 1902 maakt het opeens onderscheid tussen kleine en grote kindergraven, van respectievelijk 3 en 5 voet lengte, die elk een eigen rij krijgen. Als de nefalim in 1910 eindelijk elk hun eigen graf krijgen, worden ook die in een aparte rij bijeengebracht. Het Journaal geeft de nu kennelijk vastgelegde maten van graven en hun onderlinge afstand. Er is een pad tussen de rijen van 40 cm breed, zo lezen we, en de afstand ‘van voorkant op voorkant’ is voor 3-voetsgraven 1,25 meter en voor 5-voetsgraven 1,82 meter. Als we aannemen dat de voet hier een Amsterdamse voet was (die overigens officieel al lang niet meer in gebruik was), zou dat neerkomen op een graflengte van 86, respectievelijk 143 cm, en als we daar die 40 cm pad bij optellen komen we aardig in de buurt van de ‘voorkant op voorkant’-maten.

Verder lezen we dat de afstand van ‘hart op hart’ voor 3-voetsgraven 75 cm en voor 5-voetsgraven 81 cm was. Het zal daarbij gaan om de afstand tussen graven op een rij. De rijen op het toen in gebruik zijnde deel van de begraafplaats zijn zo’n 60 meter lang, wat dan ruimte zou bieden voor 60/0,75 = 80 3-voetsgraven of 60/0,81 = 74 5-voetsgraven, en dat klopt aardig met de in het Journaal geregistreerde aantallen graven per rij (iets meer dan 70 op de 5-voetsrijen, en rond de 80 op de 3-voetsrijen). De kinderrijen van vóór 1902 zijn doorgaans meer dan honderd graven lang.

Op de kerkeraadsvergadering van 7 juli 1900, aldus een artikel in het NIW van die datum, presenteerde het NIHS-bestuur het voornemen de ‘orde van begraven op onze begraafplaatsen’ te wijzigen: ‘Tot nu toe werden de lijken bijgezet naast en voor elkaar, op die wijze, dat gevormd werden dicht aangesloten rijen’. Dat gebruik van de beschikbare grond riep al tijden ongemakkelijke gevoelens op, want je kunt zo vrijwel geen graf bezoeken zonder over andere graven heen te lopen. De nieuwe orde hield dan ook onder meer in dat er voortaan paden tussen de rijen zouden worden vrijgehouden.

Nu had men volgens de ‘Wet op het begraven van lijken, de begraafplaatsen en de begrafenisregten’ van 1869 (en wellicht al volgens eventuele voorgangers van die wet), al sinds lang een ruimte van 30 cm tussen de graven vrij moeten houden. Dat is wat smal voor een pad, maar als men zich aan die wet gehouden had, had men nu alleen hoeven besluiten die ruimte aan het hoofd- en voeteneind met 10 cm te verbreden. Dat men zich niet aan die wet hield, en dat nu wel ging doen, blijkt uit een verslag van de zitting van de kerkeraad van 27 maart 1902 in het NIW van 11 april dat jaar: ‘Door het aanleggen dier paden zou veel land verloren gaan, vooral nu ook, volgens het volkomen juiste advies van den opperrabijn, ook de voorgeschreven afstand tusschen ieder graf – dat tot voor korten tijd op onverklaarbare wijze over het hoofd was gezien – moest worden gehouden. Dat alleen maakt bij voorbeeld op Zeeburg een verschil van dertig graven op even honderd.’

Gegevens over maten en afstanden van volwassengraven hebben we niet. Wel hebben we luchtfoto’s van de begraafplaats en daarop zien we dat het altijd wat rommelige patroon van rijen en graven rond deze tijd opeens een stuk regelmatiger werd. Twee uitsneden uit zo’n luchtfoto hiernaast laten dat duidelijk zien (de rechter reeks rijen is ouder dan de linker).

Image

En een reconstructie van het volwassenenvak uit deze periode op basis van gegevens in Verloven tot Begraven laat zien dat de rijen vóór 1902 rond de 70 graven telden, en nadien nog slechts zo’n 55, een aantal dat wordt bevestigd door een ingezonden brief van in het NIW van 27 juni 1902. ‘Uw dienaar DALFON’ geeft dat aantal in een terzijde, maar hij schrijft vooral om van zijn vreugde over de beleidswijziging te getuigen: ‘Ik was deze week op de begraafplaats te Zeeburg; ik heb daar de paden voor de graven en de gemaakte afsluiting gezien, en ik gevoel er behoefte aan, om mijn tevredenheid te kenen te geven over hetgeen ik daar gezien heb. De afstand tusschen de graven duidelijk merkbaar; de looppaden zijn flink …’

Deze beleidswijziging kostte ruimte, en dus op termijn geld aangezien een begraafveld zo eerder vol raakt en er daarom eerder nieuwe grond moet worden aangekocht. Aparte rijen met kleine en grote kindergraven maken het gebruik van de grond net wat efficiënter, en compenseren die hogere kosten dus weer enigszins.

En er verandert nog meer. Blijkens een ingezonden brief in het NIW van 21 december 1900 worden grafstenen nu niet langer aan het voeteneinde maar aan het hoofdeinde van het graf geplaatst. De brievenschrijver vindt dat prima, maar hij ziet ook een bezwaar aan die verandering: je kunt nu slecht zien tot waar een graf doorloopt, waardoor bezoekers al te makkelijk per ongeluk over het voeteneind lopen, en dat geeft geen pas. Hij roept het kerkbestuur op elke nieuwe rij ‘tijdelijk met prikkeldraad’ af te sluiten.

Kortom, meer ruimte tussen de graven, paden tussen de rijen, standaardmaten, en grafstenen aan het hoofdeinde. Dat alles in 1902, en dan in 1910 het besluit de nefalim elk hun eigen graf te geven. Niet al die zaken hadden we zonder dit Journaal nooit geweten, maar zonder dat Journaal was ik nooit op het idee gekomen dat er op Zeeburg zo veel veranderde.

Voetnoten

[1] eerder verschenen in Misjpoge 30/3: 94-101 (2017)

[2] en kinderen die voor hun 30ste levensdag overleden; samen de zgn. ‘nefalim’ (toevoeging 2019)

[3] www.eerherstelzeeburg.nl

[4] Bart Wallet m.m.v. Liesbeth van Huit-Schimmel en Paul van Trigt, Zeeburg, Geschiedenis van een Joodse begraafplaats, 1714-1914. Verloren, Hilversum, 2014.

[5] Jits van Straten (1997) De Begraafboeken van Zeeburg 1714-1811, uitgegeven door de Stichting Bevordering Onderzoek Joodse Historische Bronnen.

[6] Door Stadsarchief-medewerker Bart Schuurman.

[7] en werden rijen en graven in min of meer numerieke volgorde in gebruik genomen (toevoeging 2019).

[8] vanwege de data op de stenen (toevoeging 2019).

[9] Stadsarchief Amsterdam (SAA) Arch.nr. 714: 2115.

[10] Dat laatste is inmiddels gebeurd (toevoeging 2019).

[11] eerder verschenen in Misjpoge 30/4: 136-142 (2017)

[12] Jits van Straten (2000) De Begraafboeken van Muiderberg 1669-1811, en –– (1997) De Begraafboeken van Zeeburg, oorspronkelijk uitgegeven door de Stichting Bevordering Onderzoek Joodse Historische Bronnen. Het eerste is inmiddels als pdf verkrijgbaar bij Bax Book Store (http://baxbooks.eu); aan een pdf-uitgave van het tweede wordt gewerkt. Uiteraard zijn ze ook her en der in bibliotheken en archieven in te zien.

Gezien de aard van het materiaal ligt het voor de hand dat als gegevensbestand via internet toegankelijk te maken, maar dat is nog even toekomstmuziek.

[13] Maar daar zijn uitzonderingen op: formulieren waarin de toestemming alleen het vervoer van de overledene naar zijn of haar plaats van herkomst betrof. Van zulke verloven zijn er 226 bewaard gebleven voor 71 bestemmingen buiten Amsterdam, waaronder naast vele plaatsen in Nederland ook buitenlandse steden als Frankfort, Londen, Parijs en New York.

[14] Zo bijvoorbeeld in het door Liesbeth van Huit-Schimmel geschreven zevende hoofdstuk, ‘De levenlozen en de doden’, in Bart Wallets (2014) onvolprezen Zeeburg, Geschiedenis van een Joodse begraafplaats, 1713-1914, uitgegeven bij Verloren in Hilversum.

[15] Stadsarchief, 714: 1971-2067 ‘Register der begrafenissen’ – Verloven van het kerkbestuur voor het doodgraverscollege voor het begraven, met bevestiging door de doodgravers, 1834 - 1935, 97 delen.

[16] (vervangen door een link in de tekst).

[17] Zie desgewenst de site van het Stadsarchief: https://archief.amsterdam/inventarissen/inventaris/714.nl.html. (doorklikken naar 1.2.2.2.5.5.: 1971-2067).

[18] Dat plan liet de stichting inmiddels weer varen (toevoeging 2019).

[19] Om misverstanden te voorkomen: dat hoeft beslist niet aan Verdooner te liggen. Van Straten vond in de begraafboeken van Muiderberg van voor 1811 een kleine driehonderd registraties van mensen die in werkelijkheid op Zeeburg begraven werden.

[20] eerder verschenen in Misjpoge 31/3: 93-103 (2018)

[21] Een voor het jodendom specifieke categorie die drie elders juist onderscheiden groepen omvat: miskramen, voldragen maar doodgeboren kinderen en kinderen die in hun eerste levensmaand overleden.

[22] Die gegevens zijn inmiddels toegankelijk via de website van stichting Eerherstel Zeeburg.

[23] http://www.voorzanger.nl/TEKST/joodsevoornamen.pdf