Bart Voorzangers weblog

top

volgend

overzicht

3 Marcouch en de handjes

Anders dan velen lijken te denken, betekent de scheiding van kerk en staat juist dat overheidsdienaren zich ook tijdens hun werk mogen gedragen naar hun eigen religieuze normen.

woensdag, 11 november 2009

Op het moment dat ik dit schrijf, speelt in de PvdA-afdeling van Amsterdam-Slotervaart de vraag wie bij de komende verkiezingen lijsttrekker wordt. Eén ‘argument’ in de discussie daarover trok mijn aandacht. Het stadsdeel had medewerkers die op grond van hun islamitische geloof weigerden mensen van het andere geslacht de hand te drukken, en de stadsdeelvoorzitter annex kandidaat-lijsttrekker hield hen de hand boven het hoofd. Zijn tegenkandidaat is volgens diens volgelingen wél voor de scheiding van kerk en staat en verdient daarom de voorkeur.

De laatste paar woorden van de vorige zin ving ik op op de radio: ‘wél voor de scheiding van kerk en staat’. Speelt die scheiding hier dan?

Ooit, toen ons deel van de wereld nog christelijk was, hadden kerkelijke hoogwaardigheidsbekleders vaak ook wereldlijke macht en had menig staatshoofd het nodige te zeggen in kerkelijke zaken. In sommige landen is dat nu formeel nog zo: in het Britse koninkrijk is de koning(in) tevens hoofd van de staatskerk en zijn de bisschoppen van die kerk qualitate qua lid van het hogerhuis. Ook de Noorse koning(in) is kerkleider.

Scheiding van kerk en staat betekent dat aan die vermenging van kerkelijke en wereldlijke macht een eind komt. In ons land gebeurde dat. Kerkelijke leiders zijn in wereldse zaken gewoon burger, met alle rechten en plichten die burgers volgens de wet hebben, en wereldlijke gezagsdragers zijn in kerkelijke zaken hoogstens kerklid, met alle rechten en plichten die dat lidmaatschap volgens de orde van de betreffende kerk aankleven. Die scheiding is dus alleen in het geding waar kerkleiders op grond van hun kerkelijke functie zeggenschap in het openbare bestuur claimen of waar wereldlijke gezagsdragers, opnieuw op grond van hun functie, iets te zeggen menen te hebben in kerkelijke kwesties. Gelukkig gebeurt dat maar zelden, en bij handen-weigerende gemeenteambtenaren is daarvan al helemaal geen sprake.

Het gaat hier om iets heel anders. Het gaat hier om de vraag of ambtenaren in functie zich mogen gedragen naar normen die voortvloeien uit hun geloof. En er is geen enkele wet, en geen enkel algemeen aanvaard beginsel dat zich daartegen verzet. Sterker nog, als wij het serieus menen met onze godsdienstvrijheid en onze overtuiging dat alle overtuigingen voor de wet gelijk zijn, zullen we dat alleen al moeten toestaan omdat we het anders aanhangers van bepaalde religies onmogelijk maken bestuurder of ambtenaar te worden.

Het lastige is dat de gedragsregels van de levensovertuigingen van de meeste ambtenaren en bestuurders aardig parallel lopen. Het viel dus tot voor kort niet op dat bijvoorbeeld orthodox-christelijke ambtenaren zich bij de uitoefening van hun functie hielden aan de regels die hun geloof hun stelt. Daarin kwam verandering toen ook Nederlandse moslims bestuurder of ambtenaar werden. Dat leidde tot wethouders en baliemedewerksters met een hoofddoek, tot halal-voedsel in de kantine van het gemeentehuis, en tot een enkele ambtenaar die iemand van het andere geslacht geen handje wilde geven, maar overigens uiterst hoofs groette en te woord stond. Dat is even wennen. Maar áls we er eenmaal aan gewend zijn, zal het ons net zomin opvallen als de burgemeester die op zondag liever niet gestoord wil worden, en de vuilnisophaler die met kerst per se naar de kerk wil.

Ik werkte een jaar of wat in het islamitisch onderwijs. Ik weet nog hoe het mij trof toen de eerste vrouwelijke collega mij geen hand wilde geven. Maar ik herinner me vooral de vele leuke en zinnige gesprekken die ik later met haar voerde. Godsdienstvrijheid went verrassend snel.

Zie ook:

110 godsdienstvrijheid vereist godsdienstige vorming

106 Stadsdeel Amsterdam-Oost verbreekt De Verbinding

95 Het OM pleit voor fictie en vrijspraak

85 Een neutrale overheid

79 Godsdienstvrijheid

62 De schijn van partijdigheid

56 Onderwijsvrijheid is een Universeel Mensenrecht

35 het TVHIOIO

14 mag een overheid gelovigen in dienst nemen?