Bart Voorzangers weblog

top

volgend

overzicht

4 aanpassen …!

De eis dat nieuwkomers zich aanpassen aan ‘onze’ omgangsvormen is alleen al onzin omdat ‘onze’ omgangsvormen niet bestaan.

zaterdag, 14 november 2009

Ik kwam op straat een onbekende tegen en zag direct dat het een vrouw was, dat zij blond haar had en blauwe ogen, en dat ze keurig gekleed was. Allemaal zaken waarin ze van mij verschilde. Was ik mijn zusje tegengekomen – die ook vrouw is, blond is, blauwe ogen heeft en zich beslist netter kleedt dan ik – dan was niets van dat alles mij opgevallen. Bij vreemden zien we eerst en vooral waarin zij anders zijn dan wij. We zijn bedacht op risico’s en als die er zijn, zijn het de verschillen die ons daarover informeren. Wij zijn op onze qui-vive; je weet maar nooit. Bij bekenden verliezen zulke verschillen hun betekenis, of in elk geval hun overwegende belang. We zien hoogstens waarin ze anders zijn dan de vorige keer dat we ze zagen.

Datzelfde mechanisme speelt ook als wij een immigrant, een allochtoon, een nieuwe Nederlander, ontmoeten. We zien meteen het hoofddoekje van islamitische vrouwen en denken dat ze door haar man wordt onderdrukt. Dat ook vrouwen hier lichaamsdelen moeten bedekken die mannen bij gelegenheid best mogen laten zien, vergeten we. Het valt ons op als we geen hand krijgen van een volwassene van het andere geslacht, en we ervaren dat als afkeuring, hoewel daar geen sprake van is. We zien hoe een kind omlaag of opzij kijkt en wantrouwen wat het zegt, in plaats van te beseffen dat het slechts respect betoont. We concentreren ons op de verschillen en de mogelijke risico’s die daarachter schuilgaan. We zijn op onze qui-vive, want je weet maar nooit.

Zo bezien, is het zo gek nog niet dat we van allochtonen eisen dat ze zich aanpassen aan onze manier van doen. Ze zijn vreemd en nieuw, en wat hén eigen is, voelt als een dreiging. Alleen, waaraan moeten ze zich dan aanpassen?

Zijn we ‘onder ons’, dan valt het ons niet op dat Jan ons hartelijk de hand drukt – zo ís Jan nou eenmaal – terwijl Piet z’n hand opsteekt en ‘hoi’ zegt – hij doet stoer, die Piet, maar we weten wel dat hij een hart van goud heeft. Van dreiging is geen sprake, dus iedereen mag zijn zoals hij wil. In feite hebben we de verschillen zozeer geaccepteerd dat we ze niet eens meer zien, en we praten over ‘onze’ omgangsvormen zonder ook maar een ogenblik te beseffen dat er helemaal geen gemeenschappelijke omgangsvormen zijn. De een zegt ‘je’ waar de ander ‘u’ zegt, de een zegt ‘hallo’ en grijnst, de ander zegt ‘goedemorgen’ en noemt je naam, de een staat op waar de ander blijft zitten, de een geeft meteen zijn mening waar de ander eerst eens voorzichtig aftast wat de sfeer wel en niet zou bederven. En opvallen doet het ons allemaal nauwelijks nog, want we zijn eraan gewend. En de meesten van ons gaan moeiteloos in al die verschillen mee.

Bij nader inzien is de eis tot aanpassen die we aan nieuwe landgenoten stellen dus de oplossing niet. Er is niets waaraan zij zich kunnen aanpassen. De variatie die zij toevoegen valt in het niet bij de variatie die er al is. Wat dat betreft zijn ze zo aangepast als maar kan. Alleen, ze zijn vreemd, dus zien we de verschillen die ons bij bekenden ontgaan. De oplossing is dat we wennen aan hun aanwezigheid waardoor hun eigenheid ons net zo vertedert als die van Jan en Piet. Maar wennen kost tijd. Als we die nou eens namen?

Natuurlijk, aanpassen aan onze omgangsvormen is het belangrijkste niet. Ze moeten zich aanpassen aan onze ‘normen en waarden’. Alleen, daar geldt precies hetzelfde voor. Daarover een andere keer.