Bart Voorzangers weblog

top

volgend

overzicht

13 prachtwijken en xenofobie

Bewoners van ‘prachtwijken’ zijn terecht ontevreden, maar wie – zoals de minister van integratie – suggereert dat hun ellende te wijten is aan niet-westerse wijkgenoten maakt zich schuldig aan xenofobie.

maandag, 30 november 2009

In 1975 verhuisde ik naar wat nu een ‘prachtwijk’ heet. De straten waren grauw en groezelig. De huizen waren goedkoop, maar klein, en tochtig. Ik kon meegenieten van de ruzies bij de buren rechts, en de tv van de buren links. Wie daar woonden wist ik niet; ik zag ze nooit. Buurvrouwen hingen roddelend over de balustrade. Ze klaagden over de achteruitgang van de buurt, de nieuwelingen die niet groetten, de buren die klapliepen, en aan wier aanwezigheid ze de blijvendheid van hun eigen misère weten. Mijn fiets werd gestolen. Bij een inbraak kreeg ik daar een plastic tas vol uitwerpselen voor terug. En dat allemaal lang voor de eerste allochtoon in ons straatbeeld verscheen.

Ik was er dolgelukkig, hoor. Na een piepklein studentenkamertje op een lattenzolder waar ik met anderen één wasbak met koud water deelde, was een eigen etage, met wc en heuse douche en een veelvoud aan ruimte, een paradijs. Maar ik begrijp goed dat zulke buurten tot onvrede leidden. Je gaat er wonen omdat de huren elders te hoog zijn. En zodra je het betalen kan, ga je er weer weg. Het verloop is er groot. Je ziet er voortdurend nieuwe gezichten. Elkaar leren kennen, een wij-gevoel krijgen, is er dan niet snel bij.

Je kunt zo’n buurt opknappen en de huizen vervangen door betere dus duurdere, maar voor de economisch minstbedeelden zijn die gauw te duur, dus die trekken weg, naar wat dan de volgende prachtwijk wordt. Zo ging dat eeuwen, het rondpompen van het proletariaat, en zo gaat het in wezen nog steeds. Net als vroeger, beginnen nieuwelingen ook nu in zulke wijken aan hun maatschappelijke carrière. Vroeger kwamen ze uit de provincie en de buurlanden en waren ze uiterlijk niet te onderscheiden van wie er al langer woonde. Dat is nu anders, en sinds dat anders is, richt de onvrede zich op hen.

Stel nu eens dat er geen allochtonen waren. Zouden onze droefste wijken er dan beter aan toe zijn? Inderdaad, een retorische vraag. Er zou hoe dan ook een groep armsten geweest zijn die nu eenmaal in dit soort wijken terechtkomt. Het enige verschil zou zijn geweest dat de ánderen in de wijk, die nu door uiterlijk, kleding, taal, als groep herkenbaar zijn, dan niet zichtbaar van de rest hadden verschild.

Kortom, dat veel prachtwijkbewoners ontevreden zijn, is terecht en zij verdienen het daarin serieus genomen te worden. Maar dat zij hun terechte onvrede op allochtonen richten, is niet terecht en wie hen daarin serieus neemt, sterkt hen in hun xenofobie. Mij dunkt dat ze er daarzonder wel slecht genoeg aan toe zijn.

In zijn brief van 14 november 2009 schrijft onze minister van integratie over buurten waarvan de ontwikkeling ‘de verkeerde kant op gaat’ omdat ‘nieuwe Nederlanders afkomstig uit niet-westerse landen’ er ‘een meerderheid vormen’:

Het imago van deze buurten en wijken verslechterde snel … Veel bewoners die er van oudsher woonden, voelden zich niet meer thuis in ‘hun’ wijk. …, zij voelen zich in de steek gelaten door de geringe aandacht voor de problemen waarmee zij dagelijks worden geconfronteerd.

Ik krijg het daar heel koud van.