Bart Voorzangers weblog

top

volgend

overzicht

28 Is de islam een gewelddadige godsdienst?

Onze nationale islamograaf Hans Jansen acht de islam een gewelddadige godsdienst. Nu de argumenten nog …

woensdag, 13 januari 2010

De islamograaf Hans Jansen presenteert zich als profeet, die in eigen land wijselijk op weinig eer rekent. ’t Zal hem vast ooit dwars gezeten hebben, maar daar is hij overheen. Zijn stukken ademen een en al berusting: geloven zult u mij niet en dat zij zo, maar ook u zult toch niet willen dat ik de waarheid verzwijg. In De gematigde islam bestaat niet waarschuwt Jansen ons dat de gematigde islam niet bestaat. De titel zegt het al. Maar, schrijft Jansen, bewijzen kan ik dat niet, want zoals de wetenschapsfilosofie ons leert, is het onmogelijk te bewijzen dat iets niet bestaat. ‘Daarom hoeft voor een rechtbank een verdachte niet zijn onschuld te bewijzen.’

Letterlijk genomen heeft hij gelijk wat dat bewijzen betreft. Een beetje wetenschapsfilosofie leert namelijk dat ‘bewijzen’ onmogelijk is. In de wetenschap kun je hoogstens iets aannemelijk maken. Maar als Jansen naar de gematigde islam zoekt op plekken waar je die zijn zou als hij bestond, en hij vindt hem daar keer op keer niet, dan heeft hij, wetenschappelijk gezien, reden genoeg om te beweren dat de gematigde islam niet bestaat. Als hij die zoektocht netjes documenteert en publiceert, hoeft hij zich voor niets te verontschuldigen. Alleen, dat doet hij niet, en wij worden kennelijk geacht te denken dat hij ons zijn onderzoeksverslag bespaart omdat hij ons niet wil vermoeien met een poging tot het onmogelijke. Onbegrepen wetenschapsfilosofie als excuus voor apodictie. Over Jansens rechtsfilosofie hebben we het maar niet.

Waar had Jansen moeten zoeken en hoe had hij dat moeten doen? Ik zou zeggen: ga eens bij wat gelovigen langs en vraag ze naar hun ideeën en idealen. Maar dat is kennelijk te makkelijk. Jansen ontkent het bestaan van een gematigde islam maar zegt in dezelfde zin waarin hij dat ontkent ook dat er wel degelijke fatsoenlijke moslims bestaan die humane opvattingen koesteren. Hij sluit zelfs nergens uit dat die in feite een ruime meerderheid uitmaken. Kennelijk staan aard en opvattingen van een godsdienst – althans zoals hij die opvat – los van de aard en opvattingen van zijn aanhangers. En dat roept vragen op. Kan een godsdienst iets leren dat de aanhangers ervan afwijzen, en hoe moeten we ons dat dan voorstellen? Kan een godsdienst bestaan zonder aanhangers te hebben? Wat ís een godsdienst dan eigenlijk? Maar zulke vragen stelt Jansen niet.

Om Jansen ervan te overtuigen dat er een vreedzame islam bestaat zouden ‘gematigde beroepsmoslims’, zo schrijft hij, ‘alleen maar een handvol moskeeën’ hoeven aan te wijzen ‘waar niet (bijvoorbeeld) wordt gepredikt dat afvalligen vermoord moeten worden, …’ en meer van zulk naars. Nu gaat het bij dat naars om flarden korantekst, dus in feite vraagt hij om moskeeën aan te wijzen waar men de koran niet reciteert. ’t Zou zomaar kunnen dat dat niet lukt. De vraag of een koranvers reciteren hetzelfde is als iets prediken stelt Jansen niet.

Hoe dan ook, we zitten met een koran waarin (bijvoorbeeld) wordt opgeroepen tot het vermoorden van afvalligen, en een wereld vol fatsoenlijke moslims met humane opvattingen die dat niet doen. Waarom doen ze niet wat ze gezien teksten in de koran mogelijkerwijze wel zouden moeten doen? Ik ben geen islamograaf, maar ik kan zo een aantal mogelijkheden bedenken:

- ze weten niet dat de koran oproept tot het ombrengen van afvalligen; verrassen zou dat me niet: voor menig moslim is een koranrecitatie eerder een geheel van welluidende klanken die hem in religieuze vervoering brengt dan een tekst die hem informeert en tot handelen aanzet;

- ze weten wel dat de koran oproepen bevat die zich zo laten interpreteren maar voelen zich niet aangesproken, bijvoorbeeld omdat aan zulk ombrengen zorgvuldig juridisch onderzoek vooraf dient te gaan dat beter aan specialisten kan worden overgelaten;

- ze weten van die oproep, maar wachten, geheel in de geest van verzen die ook in de koran staan nog even, om die afvalligen de tijd te geven van de dwalingen huns weegs terug te komen;

- ze weten van die oproep, maar weten ook dat die staat in een context die de mogelijkheid biedt hem te interpreteren als oproep aan bijvoorbeeld een heel specifieke gemeenschap van gelovigen en die betrekking had op heel specifieke afvalligen die meer op hun geweten hadden dan afvalligheid alleen.

En zo zijn er vast nog meer. Als de islamografie een wetenschappelijke discipline was zou die niet kunnen wachten om dit soort zaken tot op de bodem uit te zoeken. Maar Jansen gaat er niet op in. Zelfs de mogelijkheid om eens wat vragen te stellen oppert hij niet. Hij laat het bij de oproep aan ‘gematigde beroepsmoslims’ hem iets te laten zien dat logisch onmogelijk is.

De door Jansen geschetste discrepantie tussen de opvattingen van een geloof en de opvattingen van gelovigen is niet kenmerkend voor de islam, zegt hij vervolgens: ‘Met het Katholicisme is er iets dergelijks aan de hand. Het Katholicisme is niet democratisch. Maar dat hindert niets, want de meeste katholieken zijn dat wel …’. Nou, gelukkig maar, denk je dan als lezer. En waarom zou voor al die vreedzame moslims niet iets dergelijks gelden?

Jansen vervolgt: ‘Nu de islam weer. De meeste moslims zijn geen terroristen … Maar niemand kan er omheen dat er wel degelijk terroristen bestaan die moslim zijn en die de islam aanvoeren als verklaring voor hun moorddadige handelingen.’ Kennelijk moeten we nu denken dat de islam hier wezenlijk van het katholicisme verschilt. Maar de parallellie laat zich moeiteloos doortrekken. Er zijn ook ondemocratische katholieken die het katholicisme aanvoeren als verklaring voor hun ondemocratisch handelen. De hoogste baas van het katholicisme bijvoorbeeld, en zijn hoogste vertegenwoordiger in ons eigen land. De zoveelste stap in Jansens verhaal die veelbelovend begint maar in het niets eindigt.

Ik lees nog één alinea met u verder: ‘Dat wil nog niet zeggen dat de moslims onze vijand zijn … Maar de terroristische moslims en hun theorieën over de zuivere islam – die zijn dat wel degelijk. Die willen ons tot slaaf of dood maken.’ Laat ik nou niemand kennen die het daar niet mee eens is. Maar Jansen twijfelt: ‘Als wij niet slaaf of dood willen zijn, zullen we ons een beetje moeten verdedigen. Daar hebben we moeite mee, omdat verdediging tegen agressie al snel tot bittere conflicten leidt die nauwelijks van oorlog te onderscheiden zijn.’

‘Daar hebben we moeite mee …’, zielige, bange wij. Eerlijk gezegd had ik graag gezien dat we er wat meer moeite mee hadden. In plaats van ons ‘een beetje’ te verdedigen zijn we de afgelopen jaren twee grootschalige oorlogen begonnen, en als we niet oppassen rommelen onze favoriete bondgenoten ons straks ook nog een oorlog in Jemen in. ‘Verdediging en conflict zullen zeker tot chaos leiden’ vervolgt Jansen. En gelijk heeft hij. Chaos plus een bloedrode zee aan redenen voor islamitische terroristen om de onschuldige, en vrijwel zonder uitzondering islamitische, burgers te wreken die omkwamen in ondoordacht begonnen en doldriest gevoerde strijd. ‘Voor chaos zijn we banger dan voor de islam’, zegt Jansen. Ik wou dat het waar was …

Jansen babbelt en broddelt nog bijna een hele pagina door in het verhaaltje waaruit ik hiervoor uitgebreid citeerde, maar ik bespaar u de rest. Jansen doet uitsluitend in drogredenen, en wat er overblijft als je die schrapt is een litanie over domme en bange westerlingen die zich door foute islamieten laten ringeloren, en een eminent islamograaf die als enige ter wereld inziet dat het fout gaat, maar ja, bewijzen kan hij niets …