Bart Voorzangers weblog

top

volgend

overzicht

29 Wilders, de wet en wij

Ik heb lang geaarzeld voor ik het volgende stukje op m’n weblog zette. Maar ik zit met een vraag die me belangrijker lijkt dan zijn beslist ergerniswekkende woorden: proberen we met dit proces niet ook of zelfs vooral om onze eigen twijfels en vooroordelen het zwijgen op te leggen? En zo niet, waarom raken zijn woorden ons dan zo? En in hoeverre moet het recht hier goedmaken wat we aan argumenten tekort komen?

zaterdag, 16 januari 2010

Meneer Wilders moet zich bij de rechter verantwoorden voor een aantal van zijn uitspraken. Aanvankelijk leek me dat een goed idee. Maar ik begin te aarzelen. Eigenlijk zou alleen al de zekerheid over de uitslag ons aan het twijfelen moeten brengen. Meneer Wilders wint dit proces – als onschuldige bij vrijspraak, en anders wel als martelaar. Rechtszaken horen geen vooraf zekere uitkomst te hebben.

Meneer Wilders geeft publiekelijk een stem aan (ook daarzonder bestaande) gevoelens van angst en afschuw ten aanzien van een wazig complex van zaken en mensen. Die gevoelens zijn deels terecht, deels misplaatst maar begrijpelijk, en grotendeels flauwekul. Elk van die delen vraagt om een eigen reactie, dus het is goed ze zorgvuldig uit elkaar te houden, en dat lukt niet als we die gevoelens onzichtbaar maken door hun uiting te verbieden. Dat is een praktische reden om van zo’n rechtszaak af te zien. Maar er is meer, denk ik.

Het is in allerlei toch redelijk liberale landen verboden om bepaalde feitelijke uitspraken te doen, bijvoorbeeld om de holocaust te ontkennen, of de Armeense genocide. Ik snap dat wel. Het is ergerlijk, gekmakend ergerlijk, om met zulke ontkenningen geconfronteerd te worden. Maar het gekmakende zit hem er wellicht toch vooral in dat we niet zo één-twee-drie kunnen aantonen dat de ontkenners ongelijk hebben. We ‘weten’ dat die misdaden plaatsvonden maar we weten dat – als verreweg het meeste dat we weten – van horen zeggen. We weten het op gezag van historici die we geloven omdat we vertrouwen hebben in het grote geheel van academische instellingen waaruit ze voortkomen en dat hen in hun uitspraken steunt. Maar we weten ook dat die instellingen feilbaar zijn en hun waarheid noodzakelijk voorlopig. Een deel van wat we weten zal ooit onwaar blijken, en welk deel dat is, weten we niet. Het valt niet mee daarmee te leven. Als ’t even kan, doen we dat dan ook maar liever niet: we sluiten onze ogen en geloven dat het een aard heeft. Holocaustontkenners herinneren ons pijnlijk aan de fundamentele betwijfelbaarheid van al ons weten. Als hun ongelijk écht evident was, zouden we onze schouders ophalen over dit soort charlatans.

Zou het kunnen dat er eenzelfde ongemak steekt achter onze ergernis over de woorden van Wilders? Je wilt er toch niet aan dénken dat hij bij nader inzien gelijk zou hebben met wat zo goed als zeker onzin is? Maar voor zover daar de bron van onze ergernis ligt, bewijzen we onszelf een slechte dienst door hem het zwijgen op te leggen. Wat we daarmee in feite smoren is de kritische zin ten aanzien van onze eigen zekerheden. We beitelen ze met hoofdletters in graniet en bouwen een altaar voor ons eigen gelijk – het soort altaar waarop mensen maar al te makkelijk mensenoffers brengen.

En de beledigden dan? De mensen die door Wilders woorden tot in het diepst van hun ziel gekwetst zijn? Verdienen die geen juridische bescherming? Eerlijk gezegd, denk ik van niet. Misschien zie ik ook dat ooit weer anders, maar voorlopig denk ik toch vooral dat het onzin is je door een gek gekwetst te voelen. En er is meer. Als iemand mij naroept dat ik er belachelijk uitzie met mijn twee neuzen, laat het me koud. Als iemand mij naroept dat mijn neus te plomp is, treft me dat al heel wat meer. Geldt niet ook voor beledigingen dat ze meer pijn doen naarmate ze minder vanzelfsprekend onjuist zijn? Zo ja, dan hebben we meer aan zelfonderzoek – wat zit erin dat dit ons zo raakt? – dan aan een proces tegen de boodschapper.

Rest nog de nodeloos beledigende woordkeus van de heer Wilders. Hij maakt zich daar zo nu en dan aan schuldig, maar laten we eerlijk zijn: daar zit ’m de pijn niet. De pijn zit ’m in wat hij vindt.

De heer Wilders beroept zich op de vrijheid van meningsuiting die hij anderen ontzegt. Door hem voor het gerecht te slepen, verlagen we ons tot zijn niveau. En dat moeten we niet willen. Waar zijn woorden aanleiding geven tot zelfonderzoek kunnen we hem alleen maar dankbaar zijn, waar hij gelijk heeft, hoe ook verwoord, moeten we hem dat gelijk vooral geven, en wat hij verder zegt is onze aandacht niet waard.