Bart Voorzangers weblog

top

volgend

overzicht

37 Wat is er ‘discriminerend’ aan gescheiden zwemmen?

Gescheiden zwemmen ligt onder vuur, maar wat ertegen is, is nog helemaal zo duidelijk niet. Een korte vergelijkend-morele verkenning.

maandag, 8 maart 2010

Tijdens de afgelopen verkiezingscampagne (waarvoor die was laat ik maar even in het midden) kwam het gescheiden zwemmen in Den Haag weer eens voorbij. Veel politici hebben er bezwaar tegen dat mensen het zwembad wekelijks een uurtje met seksegenoten mogen delen. ’t Is hoogstens zo dat de een onmiddellijk wil stoppen wat de ander nog wel even wil aanzien – meer een verschil van karakter dan van principes dus. Praten over principes, uitleggen hoe je praktische beleidsdoelen met die principes samenhangen, kost tijd, en die tijd is er op de een of andere manier nooit. We horen er dus weinig over. Maar ’t leek me aardig te zien hoe een dergelijke rechtvaardiging er in dit specifieke geval zouden uitzien.

Mogelijk ergeren sommigen zich aan de kennelijke preutsheid van gescheiden zwemmenden (om maar te zwijgen van mensen die zich ergeren aan de betrokkenen zelf), maar dat lijkt me een weinig principieel punt. Voor kosten en roosterproblemen geldt hetzelfde. Echt relevant wordt de oppositie pas bij het bezwaar dat gescheiden zwemmen discrimineert. Alleen, doet het dat wel echt? Gescheiden zwemmen zou zeker discrimineren als het alleen ging om een apart zwemuurtje voor vrouwen, maar daarvan was in Den Haag, geloof ik, geen sprake, en als het dat wel was, lag de oplossing voor de hand: stel alsnog ook zo’n uurtje voor mannen in (en gebruik dat voor onderhoudswerkzaamheden als de klandizie tegenvalt).

Maar wie nu denkt ‘Oké, geen discriminatie dus’, is te vroeg. Een arrangement met gescheiden zwemuurtjes voor blanken en voor zwarten zouden we beslist als discriminerend ervaren, ook als beide kleuren exact evenveel eigen uren krijgen. Kennelijk is ‘gelijke behandeling’ niet genoeg om met een gerust hart te kunnen stellen dat er niet wordt gediscrimineerd. Het onderscheid maken op zich ervaren sommigen als discriminerend, althans wanneer ze dat onderscheid zelf niet gerechtvaardigd achten.

Voorstanders van naar sekse gescheiden zwemmen zouden kunnen zeggen dat zo’n onderscheid gerechtvaardigd is vanwege de – erotische – spanningen die ontstaan waar mensen niet gescheiden zwemmen. Die spanning uit zich in keurende blikken, uitdagende opmerkingen, hinderlijk volgen, en ongewenste handtastelijkheid. Dat gebeurt natuurlijk niet alleen in het zwembad, maar in het leven daarbuiten kun je je er nog enigszins aan onttrekken door je verhullend te kleden en plekken te mijden waar de kans op onaangename ervaringen het grootst is; in een zwembad kan dat nauwelijks.

Spanningen tussen mensen die verschillen in huidskleur zijn er soms ook, en misschien zijn de uitingsvormen daarvan in een zwembad ook wel lastiger te ontlopen. Toch zouden maar weinigen dat als voldoende rechtvaardiging zien. Je zou hier kunnen betogen dat die spanningen voortkomen uit een afkeurenswaardig vooroordeel dat je heel wel kunt afleren en dat we niet moeten legitimeren door naar kleur gescheiden zwemuren toe te staan. De vraag is dan of dat anders ligt bij gedrag dat voortkomt uit erotische spanningen, en die vraag is niet zo makkelijk te beantwoorden. Voor je het weet verzandt je in (evolutie)biologische of psychologische speculaties, en daar worden we niet snel wijzer van.

Onderscheid naar sekse bij het zwemmen ligt onder vuur, maar over datzelfde onderscheid op andere terreinen des levens doet vrijwel niemand moeilijk. Protesten tegen naar sekse gescheiden toiletgelegenheden hoor je eigenlijk nooit. Sterker nog, wie ze eist waar ze ontbreken, heeft – althans zolang het om het werk of een openbare gelegenheid gaat – een goede kans in het gelijk te worden gesteld. En lijkt dat nog op het zwemvoorbeeld in de zin dat beide seksen in principe dezelfde mogelijkheid tot toiletbezoek krijgen (‘in principe’ omdat vrouwen de zegeningen van het urinoir moeten missen en ook nog vaak met minder plekken genoegen moeten nemen), bij kledingvoorschriften bijvoorbeeld zijn er vaak wel degelijk heel diepgaande verschillen in ‘behandeling’, en toch blijven protesten zelfs daar zo goed als volledig uit. Ik herinner me een postbode die op warme dagen een korte broek wilde dragen omdat zijn vrouwelijke collega’s dan een korte broekrok aan konden. De rechter wees zijn bezwaar tegen de regels af en vond kennelijk dat kledingvoorschriften voor mannen en vrouwen verschillend mogen zijn. Laten we eerlijk zijn, verschillende kledingvoorschriften voor zwarte en blanke werknemers hadden het nooit gered.

De status van het man-vrouwverschil is in onze samenleving dus duidelijk anders dan die van verschillen in pakweg huidskleur. Daarmee is het pleit voor gescheiden zwemmen niet beslecht, maar wie roept dat de gelegenheid daartoe een vorm van discriminatie is en zich niet evenzeer opwindt over aparte toiletten en kledingvoorschriften, heeft echt iets uit te leggen.