Bart Voorzangers weblog

top

volgend

overzicht

40 Drama in Slotervaart

Een Volkskrantcolumnist beschrijft de ellende van twee bejaarden in een Amsterdamse volkswijk in een schrijnend verhaal dat om medeleven vraagt. Maar wat doen we daarna? Trekken we vergaande politieke consequenties, of zoeken we eerst eens uit hoe ’t zit en hoe ’t komt?

vrijdag, 26 maart 2010

In een column in de Volkskrant beschrijft Peter Hilhorst een toevallige ontmoeting met een bejaard echtpaar in Amsterdam-Slotervaart. Mevrouw en meneer wonen in een zwaar gebarricadeerd huis uit angst voor Marokkaanse buurjongetjes die hen intimideren. Ze zijn nu zo bang dat ze gaan verhuizen, maar ze doen dat onopvallend, doos voor doos, met een gewone auto, uit angst dat hun belagers een herkenbare verhuiswagen zouden volgen en dat de pesterijen op het nieuwe adres gewoon doorgaan. Aangifte doen durven ze niet, uit angst dat hun dat geen bescherming maar wél meer narigheid oplevert. Hilhorst besluit zijn verhaal met:

Maar zo winnen de pesters. Zij kunnen ongestraft hun gang gaan. Om hen een halt toe te kunnen roepen, is het noodzakelijk dat de slachtoffers hun mond opendoen. Zonder aangifte staat ook de politie met lege handen. Zonder klachten kunnen de woningcorporatie en het stadsdeel weinig uitrichten.

Het eerste dat daarom moet gebeuren, is dat slachtoffers weten dat ze hun mond open kunnen doen. Dat ze zich beschermd weten. Dat is nu niet het geval.

Hilhorst is getroffen door de wanhoop van twee mensen en gebruikt zijn Volkskrant-column om de lezer daar deelgenoot van te maken: ‘Het is vooral dit defaitisme dat hun wanhoop zo aangrijpend maakt’.

De meeste reacties op dit verhaal hebben één duidelijke teneur: zie je wel, die kutmarokkaantjes zijn een ramp voor gewone, fatsoenlijke, onschuldige mensen; ze vormen een netwerk zodat verhuizen niet helpt want dan zetten neefjes elders de terreur voort; de politie doet niets; de burgemeester drinkt thee; en ’t is geen wonder dat steeds meer mensen PVV gaan stemmen.

Hilhorst zelf trekt al die conclusies niet. Als gezegd, hij beschrijft een ontmoeting, vertelt wat hem daarbij verteld is, schetst de angst en de ellende waarin twee bejaarden terechtkwamen en noemt als één van de oorzaken daarvan dat zij zich niet door de overheid beschermd weten, zonder zich erover uit te spreken hoe dat komt en of hun wantrouwen jegens de overheid terecht is.

Hilhorsts vignetje zou bij de lezer eigenlijk vooral vragen moeten oproepen. Klopt de schets die die twee van hun situatie geven? Worden ze echt getreiterd en bedreigd? Zo ja, hoe komt dat dan? De vrouw zegt alleen dat zij slachtoffer zijn en anderen niet, ‘Omdat ik mijn mond open deed. Als enige.’ Wat zei ze dan, toen ze haar mond open deed? Wie zijn hun belagers, als die er zijn. Hebben die ook een verhaal, en hoe luidt dat dan? Weten politie en stadsdeel van dit geval? Zo ja, welk beeld hebben zij daarvan? Wat doen ze eraan? En waarom helpt dat het echtpaar niet? Zonder heldere antwoorden op al die vragen is elke conclusie die verder gaat dan die van Hilhorst voorbarig.