Bart Voorzangers weblog

top

volgend

overzicht

45 De PVV en het VN-Vrouwenverdrag

Ja, dat leest u goed. Bij het VN-vrouwenverdrag denken we allereerst aan de SGP, en aan de regering die de SGP tot vrouwvriendelijker gedrag moet brengen. Maar de uitspraak van de Hoge Raad waarin die plicht is vastgesteld heeft boeiende gevolgen voor regeringsbeleid ten aanzien van de PVV.
(Maar zie vooral ook het verhaal van Rob Kooijman in het Reformatorisch Dagblad.)

maandag, 12 april 2010

Het grootste deel van haar bestaan konden vrouwen geen lid van de SGP worden, laat staan dat ze binnen die partij mochten meestemmen of op een kandidatenlijst van de partij konden staan. In 2003 spanden een aantal groepen die strijden voor gelijke behandeling van vrouwen een rechtszaak aan tegen – let wel – de staat. Zij vonden dat de staat met zijn subsidiëring van de SGP het beleid van de SGP gedoogde, terwijl dat volgens onder meer het VN-Vrouwenverdrag van 1979 niet zou mogen. De rechtbank Den Haag stelde ze in het gelijk en na een reeks vervolgprocessen kregen ze dat gelijk nu ook van de Hoge Raad.

De SGP heeft het partijlidmaatschap intussen voor vrouwen opengesteld, maar op kieslijsten kunnen ze nog altijd niet staan. De Hoge Raad bepaalt nu dat de staat moet zorgen dat de SGP vrouwen ook dat passieve kiesrecht geeft.

Sommigen hadden wellicht graag gezien dat de SGP direct veroordeeld was, maar allereerst gaat het VN-verdrag daar niet over; dat zegt alleen wat státen wel en niet mogen en moeten. Bovendien begon het hele juridische proces met een rechtszaak tegen de staat, en niet tegen de SGP. Het balletje ligt nu bij de regering die moet beslissen wat ze kan doen om de SGP tot ander gedrag te bewegen.

Het loont de moeite eens goed te kijken wat dat VN-Vrouwenverdrag, en dan met name artikel 7 waarop onze rechters zich beroepen, precies eist. Dat artikel zegt:

De Staten die partij zijn bij dit Verdrag, nemen alle passende maatregelen om discriminatie van vrouwen in het politieke en openbare leven van het land uit te bannen, en verzekeren vrouwen in het bijzonder het recht om op gelijke voet met mannen:

a. hun stem uit te brengen bij alle verkiezingen en volksstemmingen, en verkiesbaar te zijn in alle openbaar gekozen lichamen;

b. deel te nemen aan de vaststelling van het overheidsbeleid en aan de uitvoering hiervan, alsook openbare ambten te bekleden en alle openbare functies op alle overheidsniveaus te vervullen;

c. deel te nemen aan niet-overheidsorganisaties en verenigingen op het gebied van het openbare en politieke leven van het land.

In het geval van de SGP gaat het vooral om lid c van dit artikel. De vraag is natuurlijk welke maatregelen hier passend zijn – vriendelijk verzoeken? vermanend toespreken? geen subsidie meer geven? de hele partij verbieden? – maar als de partij zo wijs is als we haar kennen, bespaart ze de regering alle hoofdbrekens en schrapt ze gewoon de regel die vrouwen het passief kiesrecht ontzegt. Uiteraard staat het individuele partijleden vervolgens vrij elke vrouw die zich kandidaat stelt af te wijzen omdat ze daarmee te kennen geeft dat ze de grondslag van de partij niet onderschrijft. Probleem opgelost.

Veel boeiender in feite is de vraag wat dit voor de PVV betekent. In de hoofdzin van artikel 7 staat dat vrouwen een hoop moois moeten kunnen ‘op gelijke voet met mannen’, en dat kun je lezen als ‘voor zover mannen dat kunnen’. Maar die interpretatie ligt niet voor de hand, want in 7a en 7b staat maar liefst drie keer ‘alle’, en blijkens de interpretatie van de Hoge Raad moeten we zelfs in 7c zo’n ‘alle’ lezen. Al dat ‘alle’ botst met een relativerende interpretatie van dat ‘op gelijke voet …’. In een zin als ‘vrouwen moeten bij álle verkiezingen hun stem kunnen uitbrengen … voor zover mannen dat kunnen’ deelt de ene hand een stemrecht uit dat de ander vervolgens vrolijk weer terugneemt. Dat kan de bedoeling niet zijn. Het zinsdeel ‘op gelijke voet met mannen’ is geen beperkende bepaling, maar een bekrachtigende: níets wat mannen mogen of hebben mag vrouwen onthouden worden. Maar ook los van die bekrachtiging hebben vrouwen volgens dit VN-verdrag recht op alle mogelijkheden die in 7a-c worden opgesomd.

En dan de PVV. Aan die club, hoewel geen vereniging toch beslist een niet-overheidsorganisatie op het gebied van politiek leven, kan helemaal niemand deelnemen. Waar het om vrouwen gaat is dat in strijd met het VN-vrouwenverdrag. De regering zou dus in elk geval alle passende maatregelen moeten nemen om te zorgen dat vrouwen, met actief én passief kiesrecht, lid van de PVV kunnen worden. De hoofdbrekens blijven nog even. Niet alleen voor de regering trouwens, maar ook voor mannen. Een VN-verdrag dat hen de mogelijkheid tot deelname aan de PVV garandeert – al dan niet op gelijke voet met vrouwen – is er niet.

En zeg nu niet dat u helemaal geen lid van die club wíl worden, want daar ging het de vrouwen die de SGP zeven jaar lang belaagden ook niet om. Het gaat hier om principes en met enige mazzel in beide gevallen om principiële mogelijkheden waar niemand ooit gebruik van zal maken.