Bart Voorzangers weblog

top

volgend

overzicht

48 Minister Hirsch Ballin discrimineert moslims

Onze minister van Justitie liet onderzoeken of er in Nederland sprake is van shariarechtbanken. Daarmee liet hij veel dingen nagaan die geen enkele reden voor zorg zijn, en stelde hij één terechte vraag die hij helaas ten onrechte tot islamitische Nederlanders beperkte.

zaterdag, 24 april 2010

Blijkens een brief aan de Tweede Kamer liet onze minister van Justitie onderzoeken of er in Nederland sprake is van shariarechtbanken. Dat heeft iets vreemds. Om rechtbank te mogen heten moet iets door de Nederlandse overheid als zodanig erkend zijn, en dat gebeurt vast niet zonder dat de minister van Justitie daarvan op de hoogte is. Maar ik geef toe: dat is een spijker op laag water.

Wat de minister wilde weten was of er in Nederland aan moslims religieus advies wordt gegeven over bijvoorbeeld relatie- of financiële kwesties dat door de geadviseerden als een bindende juridische uitspraak ervaren wordt, mogelijk ook zo bedoeld is, en door de directe omgeving zo nodig met onaanvaardbare druk wordt afgedwongen. Dat is een hele mond vol, en voor de zekerheid: ’t is míjn formulering, niet die van de minister. Waar het om gaat is het volgende proces:

a. Twee of meer moslims zijn het ergens niet over eens en ze vragen advies aan een deskundig op het terrein van door de islam gewenst gedrag. Dat gebeurt vast regelmatig, er is niets op tegen, en wie weet lost het iets op.

b. De autoriteit doet een uitspraak. Daar is ook niets mis mee; daar zíjn autoriteiten voor.

c1. De geadviseerden besluiten gezamenlijk het advies ter harte te nemen en zich eraan te houden, dan wel het voor kennisgeving aan te nemen en nog even door te steggelen – ook dat mag allebei – of

c2. Een of meer der geadviseerden besluiten het advies te negeren terwijl de anderen zich er wel aan willen houden – nog altijd niets mis mee, behalve dan dat ze er nu conflictstof bij hebben, wat minstens jammer is. Bovendien legt het de weg open voor:

d. Degenen die het advies uitgevoerd willen zien, zetten de weigeraars onder druk en roepen daarbij mogelijk zelfs de hulp van medemoslims in zodat de druk ‘sociale druk’ wordt – ’t wordt saai, maar hoe vervelend sociale druk ook zijn mag, het verschijnsel is onlosmakelijk verbonden met deelname aan een gemeenschap, de andere kant van een onvermijdelijk tweezijdige medaille. Een zaak voor (het ministerie van) Justitie wordt het pas in het volgende geval:

e. De weigeraars worden niet alleen onder druk gezet met wettige middelen, door onaardige dingen te zeggen, ze met de nek aan te kijken, ze de warmte en de hulp te onthouden die eerder zo prettig vanzelf spraken, maar ook met onwettige middelen. Dat mag niet en waar het voorkomt zouden politie en justitie moeten optreden.

Met die laatste mogelijkheid hebben we meteen ook de enige vraag te pakken die de minister kon stellen: komt het voor dat moslims elkaar het leven zuur maken op een manier die justitieel ingrijpen rechtvaardigt? Alleen, waarom zou je je dat alleen afvragen waar het om moslims gaat? Waarom stel je die vraag niet over álle groepen met een duidelijke eigen moraal en een duidelijk eigen belang de rangen gesloten te houden, als bijvoorbeeld orthodoxen van álle religies, hooligans, dierenbevrijders en notarissen? Door deze vraag alleen te stellen over moslims maakt de minister een niet gerechtvaardigd onderscheid; anders gezegd: hij discrimineert.