Bart Voorzangers weblog

top

volgend

overzicht

49 De minister en het huwelijk

Onze minister van Justitie worstelt niet alleen met de sharia-rechtspraak, maar ook nog met het informele (islamitische) huwelijk. Echt doordacht lijkt zijn verhaal me niet.

zondag, 25 april 2010

In zijn brief over sharia-rechtspraak schrijft minister Hirsch Ballin:

Een punt van aandacht … betreft de kwestie van zogenaamde ‘informele huwelijken’. Het komt voor dat imams informele huwelijken sluiten en ontbinden; het komt ook voor dat partijen zonder tussenkomst van een imam een informeel huwelijk sluiten of ontbinden. … Een religieus huwelijk is geen huwelijk naar Nederlands recht. … Het is in Nederland daarenboven verboden voor een geestelijk bedienaar om enige religieuze plechtigheid te voltrekken zonder een voorafgaand burgerlijk huwelijk …

Dat laatste is wat kort omschreven. Geestelijk bedienaars mogen allerlei religieuze plechtigheden voltrekken zonder een voorafgaand burgerlijk huwelijk, mits het maar geen huwelijksplechtigheid is, en daar gaat het hier natuurlijk om. Welnu, zolang dat in de wet staat, moeten die bedienaars zich daaraan houden, daarover geen discussie. Maar hoe zinnig is het dat dit in de wet staat?

Zoals altijd is veel hier een kwestie van definitie en woordgebruik. De wetgever gaat ervan uit dat helder is wat een huwelijk is: een verbintenis tussen twee mensen die aan allerlei voorwaarden moeten voldoen (zo moeten ze bijvoorbeeld een bepaalde leeftijd hebben, mogen ze niet te nauw verwant zijn, en mogen ze niet al met anderen gehuwd zijn) en die met hun huwelijk in de wet omschreven wederzijdse verplichtingen aangaan. Laten we daarvoor het woord huwelijk gebruiken en dat woord tussen aanhalingstekens zetten als we iets anders dan dat burgerlijk huwelijk bedoelen, bijvoorbeeld het ‘informele huwelijk’ waar de minister over schrijft.

Mensen hebben allerlei relaties, waaronder heel warme en intieme, en er kan weinig tegen zijn die door een geestelijk bedienaar te laten zegenen. Een voorwaarde is dan natuurlijk wel dat ze geen verplichtingen aangaan die strijdig zijn met een eventueel eerder met een ander gesloten huwelijk, en dat duidelijk is hoe ze verplichtingen die strijdig zijn met een toekomstig huwelijk met een ander, ongedaan kunnen maken voor ze zo’n huwelijk aangaan. Het islamitisch ‘huwelijk’ voorziet daar netjes in, dus daar hoeft niets tegen te zijn – al is het misschien handig die aanhalingstekens consequent te blijven gebruiken om verwarring te voorkomen. Uiteraard is het wenselijk dat islamitisch ‘gehuwden’ die niet ook burgerlijk gehuwd zijn, beseffen dat hun verbintenis geen huwelijk is. De ‘gehuwden’ en hun ‘huwelijk’ moeten het doen zonder de juridische privileges die ze zonder die aanhalingstekens wel zouden hebben.

Onze wetgeving is stevig gegrondvest in de christelijke traditie, en aan het burgerlijk huwelijk is dat duidelijk te zien. De wet gaat naar goed christelijk gebruik uit van een unieke relatie tussen twee en niet meer dan twee mensen – zij het dat die tegenwoordig niet meer van verschillend geslacht hoeven te zijn. Een doorslaggevende reden voor dat beperkte aantal is er niet en ’t heeft beslist iets anachronistisch. Bovendien neemt de wet zo een besluit over de manier waarop mensen hun leven inrichten dat je heel wel aan mensen zelf kunt overlaten. ’t Zou juridisch vast een hoop puzzels geven, maar het is goed mogelijk die limiet los te laten en het huwelijk open te stellen voor twee of meer mensen, mits die daar allemaal mee akkoord gaan. Uiteraard krijgen die dan wel allemaal dezelfde rechten en plichten.

Of er veel gebruik zal worden gemaakt van zo’n huwelijk tussen meer dan twee mensen is de vraag, maar er zijn religies, bijvoorbeeld de islam, die iets dergelijks toestaan.

De minister schrijft in zijn brief aan de Tweede Kamer:

De erkenning van in het buitenland gesloten polygame huwelijken wordt beperkt, de huwbare leeftijd wordt verhoogd naar achttien jaar en de huwelijksbeletsels wegens verwantschap worden uitgebreid naar huwelijken tussen familieleden in de derde en vierde graad.

Dat eerste zou, althans in de waarschijnlijk bedoelde zin, overbodig zijn bij een aanpassing van de wet die het aan mensen zelf over laat met z’n hoevelen ze gehuwd willen zijn. Je zou die buitenlandse huwelijken gewoon kunnen erkennen. Het voordeel is dan bovendien dat je bij een eventuele naturalisatie van de betrokkenen als voorwaarde kunt stellen dat hun reeds gesloten huwelijk wordt omgezet in een (polygaam) huwelijk naar Nederlands recht. Dat maakt integratie weer wat makkelijker.

Waar dat huwelijksbeletsel wegens verwantschap goed voor is, ontgaat me overigens. O zeker, inteelt – kinderen krijgen met een naaste verwant – vergroot de kans op afwijkingen, maar dat geldt ook voor mensen die niet getrouwd zijn. Bovendien valt met tijdige voorlichting en prenatale screening een hoop ellende te voorkomen. En natuurlijk weet ik dat mensen in sommige culturen bij voorkeur met een neef of nicht trouwen, maar die neiging slijt vanzelf als de economische redenen ervoor verdwijnen. Een verbod dat bij velen al snel de indruk zal wekken dat het tegen hun culturele achtergrond gericht is – en dat gebeurt hier geheid – werkt alleen maar averechts bij het streven naar integratie.

Staat er dan niets zinnigs in deze brief? Jawel hoor. In de hierboven als eerste geciteerde passage liet ik het volgende stukje weg:

Bij informele huwelijken kan zowel sprake zijn van dwang als van onbekendheid met de – juridische – situatie, waardoor de zwakkere partij minder weerbaar is. Dit kan maatschappelijk ongewenste gevolgen hebben omdat de zwakkere partij, in veel gevallen de vrouw, onvoldoende beschermd wordt.

Raar is natuurlijk dat de minister kennelijk geen rekening houdt met de mogelijkheid dat er bij informele huwelijken geen sprake is van dwang en evenmin van onbekendheid met de juridische situatie, maar gewoon van twee mensen die met open ogen, en wie weet zelfs uit liefde, een relatie aangaan die ze met een plechtigheid willen bezegelen. Zou hij denken dat moslims zo niet in elkaar zitten?

Maar los daarvan is het mooi dat de minister iets aan zo’n eventuele onbekendheid wil doen, en dat hij wil zorgen dat van dwang geen sprake is. Daar ontwikkelt het kabinet allerlei programma’s voor, en ook dat is mooi (hoewel die dan weer wel vooral gericht lijken op vrouwen – alsof mannen de wet zo goed kennen? – en als algemeen doel hebben ‘te zorgen dat er geen parallelle samenlevingen ontstaan waar mensen het recht in eigen hand nemen of een eigen rechtssysteem hanteren dat zich buiten de kaders van onze rechtsorde begeeft’ – alsof dat risico vooral bestaat bij allochtonen of moslims).

Echt met een positieve noot eindigen, lukt even niet. Het blijft lastig dat de wereld verandert.

Zie ook:

103 Weg met het burgerlijk huwelijk

96 Het COC en de weigerambtenaar

52 Trammelant rond het homohuwelijk