Bart Voorzangers weblog

top

volgend

overzicht

50 Strijdige grondrechten

De grondwetgever vindt al onze grondrechten even belangrijk. En terecht. Dat leidt tot dilemma’s waar zo’n recht voor de één botst met zo’n recht voor de ander. Dat dilemma is meestal netjes oplosbaar door te kijken naar de grootte van het nadeel voor de betrokkenen. In de praktijk echter lossen we het vaak op door het recht op godsdienstvrijheid ondergeschikt te maken aan de andere grondrechten. En daar moesten we misschien toch nog eens over nadenken.

maandag, 26 april 2010

In discussies over integratie draait het vaak om de grondrechten van onze democratie – godsdienstvrijheid, het recht van vrije meningsuiting en het recht niet gediscrimineerd te worden – en dan vooral om de afweging waar die rechten met elkaar botsen. Volgens de grondwet zijn al die rechten even belangrijk, dus zal er in elk individueel geval waarin ze tot een verschillend oordeel leiden, gekozen moeten worden welke voorrang krijgt. En dat is lastig.

Godsdienst speelt in het leven van veel Nederlanders niet of nauwelijks een rol. En voor de volledigheid: dat doet het in het mijne evenmin. Die situatie maakt het makkelijk in geval van strijdigheid de andere rechten voorrang te verlenen. Mensen met een godsdienst die een duidelijk onderscheid maakt tussen mannen en vrouwen, of tussen hetero- en homoseksuelen worden al snel verplicht ook binnen hun eigen organisaties (scholen, zorginstellingen, politieke partijen) niet naar dat onderscheid te handelen, en zelfs om zich een aantal keren te bedenken voor ze over dat onderscheid spreken.

Als gezegd, ik heb geen godsdienst, maar dat is anders geweest. Ik kan me dan ook goed voorstellen hoe wezenlijk zo’n godsdienst is voor wie wel gelovig is. Ik vind daarom dat we het recht op godsdienstvrijheid wel eens wat erg gemakkelijk een tweederangspositie toekennen. We negeren een dilemma uit gemakzucht en gebrek aan inlevingsvermogen, en dat tast de rechtszekerheid aan. Het gaat om een serieus recht. De vraag is hoe je daar wel zorgvuldig mee kunt omgaan. En zo lastig is dat vaak waarachtig niet.

In eerdere stukjes van dit weblog kwam het dilemma van de botsende grondrechten regelmatig voorbij. Neem het voorbeeld van het gescheiden zwemmen (zie eerdere bijdragen 6 en 37). Als je een zwembad openstelt voor alleen mannen of alleen vrouwen, beneem je de andere sekse op dat moment de mogelijkheid daar te water te gaan. Dat is discriminatie op grond van geslacht en dus in strijd met de grondrechten. Schaf je die gescheiden uren af dan beneem je mensen die vanwege hun geloof niet gemengd kunnen zwemmen de mogelijkheid op welk moment ook maar van dat zwembad gebruik te maken. Dat is discriminatie op grond van geloof en dus al evenzeer in strijd met die grondrechten. Maar er zijn twee verschillen:

(1) In het ene geval discrimineer je naar sekse, in het andere naar geloof.

(2) De niet door hun geloof geremden kunnen slechts een of twee uurtjes in de week niet naar dat zwembad als je die gescheiden uren handhaaft, terwijl de gelovigen nooit naar het zwembad kunnen als je die uren afschaft.

Als we de wet serieus nemen staan bij (1) twee even gewichtige onverenigbaarheden tegenover elkaar, maar maak (2) duidelijk dat de in het ene geval vanwege hun geloof gediscrimineerden veel zwaarder worden benadeeld dan de in het andere geval vanwege hun sekse gediscrimineerden. En dat zou de doorslag moeten geven. Niet omdat geloof belangrijker is dan sekse – dat is het niet – maar omdat nooit ergens kunnen zwemmen een ernstiger nadeel is dan wekelijks een of twee uurtjes niet kunnen zwemmen in één bepaald zwembad.

Iets dergelijks geldt in het geval van de SGP die geen vrouwen verkiesbaar wil stellen (al is de situatie hier complexer vanwege dat niet weinig doordachte VN-Vrouwenverdrag, maar dat is een ander probleem – zie 45 en 46). Dwing je die partij alsnog vrouwen op de lijst te zetten, dan maak je het een (kleine) groep gelovigen onmogelijk lid te worden van een partij waarin ze hun geloof ten volle gestalte kunnen geven. Dwing je de partij daartoe niet, dan maak je het vrouwen die ten volle mee willen doen onmogelijk lid te worden van de SGP, maar er blijven nog tientallen partijen over waar ze wel terecht kunnen. In beide gevallen is sprake van discriminatie, maar de in het eerste geval vanwege hun geloof gediscrimineerden kunnen nergens heen, terwijl de in het tweede geval vanwege hun geslacht gediscrimineerden nog een zee aan mogelijkheden hebben. Opnieuw dus een situatie waarin een afweging van de belangen van alle betrokkenen een weloverwogen keuze mogelijk maakt: laat de SGP maar gewoon baas in eigen huis blijven.

Uiteraard speelt een dergelijk dilemma niet overal. Voorstanders van een verbod op hoofddoekjes, nikaabs of boerka’s beroepen zich soms op het non-discriminatiebeginsel dat hier (ook hier weer!) naar hun idee zwaarder zou moeten wegen dan de godsdienstvrijheid, maar daarmee vertekenen ze het beeld. Als het ze echt ging om discriminatie van vrouwen zouden ze moeten pleiten voor een verbod op het gedwongen dragen van zulke kledingstukken maar daar gaat het ze niet om. Ze willen geen hoofddoeken, nikaabs en boerka’s meer zien. Een algemeen verbod op zulke kledingstukken raakt wel de godsdienstvrijheid. Hier is dus slechts één grondrecht in het geding en hoeft er niets te worden afgewogen. Zo’n verbod is gewoon in strijd met onze grondwet.

En bij menig integratiedilemma spelen grondrechten helemaal geen rol. Ze worden er hoogstens met de haren bijgesleept. Bij gelovigen die gevrijwaard wensen te blijven van door hen als kwetsend ervaren uitlatingen of afbeeldingen is geen sprake van geschonden grondrechten. Ergernisbesparing is geen grondrecht, niet bij mensen die geen boerka willen zien, niet bij mensen die geen spotprent willen zien. En wie zich bij het kwetsen beroept op de vrijheid van meningsuiting vergeet dat hij of zij diezelfde mening – voor zover daarvan sprake is – best respectvoller naar voren kan brengen. Hier hoeft niets te worden verboden, al zou een beetje opvoeding geen kwaad kunnen.

In feite is het recept heel simpel. Als de grondrechten botsen, kijk je welke oplossing de daardoor benadeelden het kleinste nadeel oplevert. Waarom spreekt dat dan niet vanzelf? Ik begon er m’n stukje mee en kan het er ook weer mee eindigen: godsdienst heeft niet veel aanzien en een botsing tussen de godsdienstvrijheid en andere grondrechten wordt maar door weinig mensen als een serieus dilemma ervaren. We nemen het recht op godsdienstvrijheid onvoldoende serieus. Misschien wordt het tijd eens iets aan burgerschapsvorming te gaan doen?