Bart Voorzangers weblog

top

volgend

overzicht

52 Trammelant rond het homohuwelijk

Weigerachtige trouwambtenaren wordt wel eens verweten dat ze de scheiding van kerk en staat ongedaan proberen te maken. In feite echter wordt hun stellingname opgeroepen door het feit dat kerk en staat hier onvoldoende scherp gescheiden zijn.

maandag, 3 mei 2010

Trouwambtenaar kun je tegenwoordig alleen nog worden als je bereid bent ook homostellen in de echt te verbinden. Alleen wie die status al had toen deze regel werd ingevoerd kan nog een beroep doen op gewetensbezwaren en weigeren mee te werken aan een homohuwelijk. Onlangs was hier weer even heisa over omdat mevrouw Albayrak van de PvdA gezegd had dat we alle gewetensbezwaarden vooral tegemoetkomend moesten blijven behandelen, maar daar kwam ze netjes op terug: ’t mocht niet van de wet dus mocht het niet, punt uit.

Ik heb lang gevonden dat we hier veel te spastisch over deden, en ik vind dat nog. De bezwaarden zien het huwelijk als een band tussen een man en een vrouw en daarmee is nog niks naars over homo’s gezegd. Bovendien zal er geen homo minder om trouwen als een individuele ambtenaar daar niet aan mee wil werken. Dat laat je dan toch gewoon door een andere regelen?

Ik heb ook lang gevonden dat er niets principieels mis is met het standpunt van die bezwaarden. Maar dat vond ik bij nader inzien eigenlijk alleen omdat de argumenten voor hun veroordeling niet deugden. Sommigen haalden er de scheiding van kerk en staat bij, terwijl dat in feite het punt niet is. Die scheiding zou in het geding zijn als de ‘kerk’ (ik zet dat even tussen aanhalingstekens omdat het hier evengoed om bijvoorbeeld de synagoge of de moskee kan gaan) zou proberen de staat de wet voor te schrijven, maar daar is geen sprake van. Het gaat om individuen die zichzelf, en alleen zichzelf, iets verbieden. Anderen vinden dat ambtenaren best mogen geloven, maar dat je dat aan hun gedrag niet merken mag, wat net zo’n onzin is als zeggen dat ambtenaren best vrouw of homo mogen zijn, zolang dat maar onzichtbaar blijft.

Maar een conclusie verwerpen omdat de ervoor aangehaalde redenen geen hout snijden is een klassieke drogreden. ’t Was nota bene ooit m’n vak dat te weten, maar vrijwaren voor deze fout deed dat me niet.

’t Probleem van weigerambtenaren heeft met hun geloof niets te maken. Ze verkijken zich op de aard van de overeenkomst die ze als vertegenwoordiger van de overheid worden geacht te registreren. Hun bezwaar tegen het homohuwelijk is dat hun geloof seksueel contact tussen seksegenoten verbiedt, maar het burgerlijk huwelijk gaat niet over seks. Het is een overeenkomst waarbij twee mensen elkaar in de wet netjes omschreven steun garanderen in ruil waarvoor ze bepaalde voorrechten (bijvoorbeeld in de sfeer van belastingen en erfrecht) krijgen – en daar zal geen religie bezwaar tegen hebben. Of de contractanten seksuele contacten hebben, en zo ja met wie, is en blijft geheel hun eigen zaak. En dat lig bij het ‘kerkelijk’ huwelijk (met dezelfde aanhalingstekens als hierboven) anders. Seks hoort daar alléén binnen het huwelijk, en het hóórt ook binnen het huwelijk: het uitblijven ervan is in allerlei ‘kerken’ een erkende reden voor echtscheiding.

De verwarring waaraan weigerambtenaren ten prooi vallen, ontstaat doordat kerk en staat beide het woord ‘huwelijk’ gebruiken voor wat in feite heel verschillende verbintenissen zijn. Als we dat woord nu eens afschaffen voor de ten overstaan van de ambtenaar gesloten verbintenis – en die, ’t is maar een suggestie, voortaan ‘staatsecht’ noemen (maar als iets of iemand voor die naam een prijsvraag wil uitschrijven, prima …) – dan zijn we van die verwarring af.

De staatsecht is, anders dan het kerkelijk huwelijk, een praktische overeenkomst waarmee twee mensen voor zichzelf en hun eventuele kinderen een veiligheidsnet creëren. Het is dan ook volstrekt misplaatst van dat gebeuren ten stadhuize een seculiere imitatie van de klassieke kerkelijke huwelijksplechtigheid te maken, en van de trouwambtenaar een pseudo-geestelijke. Dat wekt alleen maar misverstanden, bijvoorbeeld het onjuiste idee dat het – afgezien van de betrokkenheid van de Allerhoogste – eigenlijk om hetzelfde gaat dus dat kerk en staat hier niet gescheiden zijn. Weg met de geregisseerde kussen, en met toespraken die suggereren dat hier een exclusieve en levenslange liefdesband gesmeed wordt. Hier wordt, tot wederopzegging, een serieus maar zakelijk contract gesloten, en wie de aanleiding daarvoor vieren wil, doet dat maar op eigen terrein.

Weigerambtenaren kunnen we dankzij een zo in naam en uitvoering zichtbaar onderscheid aanspreken op een verwarring van twee in feite onvergelijkbare plechtigheden, in plaats van op hun geloof. Dat maakt de kans ze tot andere inzichten te brengen een stuk groter. En er zijn meer voordelen. We zouden eindelijk eens kunnen afstappen van het – aan de kerk (hier zonder aanhalingstekens) ontleende – idee dat de staatsecht alleen openstaat voor twee mensen. En ook het verbod een stel kerkelijk te trouwen als ze niet eerst een staatsecht zijn aangegaan, kan op de helling. Dat komt die hooggeroemde scheiding van kerk en staat alleen maar ten goede.

Ik geef het toe, ik verval een beetje in herhalingen, maar dat moet soms om iets helder te krijgen. Volgende keer over iets heel anders!

Zie ook:

103 Weg met het burgerlijk huwelijk

96 Het COC en de weigerambtenaar

49 De minister en het huwelijk