Bart Voorzangers weblog

top

volgend

overzicht

54 even rust …

Het Franse parlement nam onlangs een wet aan die boerka’s verbiedt. Mij lijkt die wet onzin, maar dat legde ik al eens uit (zie 42). De heer Wilders kreeg onlangs de resultaten van het onderzoek naar de kosten van de immigratie. Mij lijkt dat onderzoek onzin, maar dat legde ik al eens uit (zie 44). De bovenbaas van de SGP nam onlangs afscheid, werd uitgebreid geïnterviewd, en mocht zich weer eens verweren tegen de beschuldiging dat z’n partij de grondwet overtreedt. Mij lijkt die beschuldiging onzin, maar dat legde ik al eens uit (zie 45, 46 en 50). Misschien ben ik zo langzamerhand wat uitgeschreven over integratie en onze vele, onderling strijdige vrijheidsidealen?

zondag, 23 mei 2010

Natuurlijk kan het geen kwaad iets eens te herhalen. Soms worden ideeën daar helderder door. Maar als herhaling de enige manier is om mensen aan m’n kant te krijgen, is er iets mis met mijn argumenten of met hun gevoeligheid daarvoor. In het eerste geval moet ik beter nadenken, in het tweede moeten zij dat misschien. In beide gevallen is stilte geboden, want nadenken lukt niet temidden van lawaai. Zolang zich niets aandient waar ik beslist iets over kwijt moet, doe ik er verder graag het zwijgen toe. Intussen zal ik m’n stukjes nog eens herlezen en er, wie weet, een handzaam bundeltje van maken. Iets als ‘De draagbare dhimmi’ denk ik nu. Maar wie weet …

Onlangs beleefden we het eerste lijsttrekkersdebat. ’t Is aan me voorbijgegaan – ik had beters te doen – maar de analyses zijn dat niet. Die gingen over wie het gewonnen heeft. Als het ding zelf daar eveneens om ging, hoop ik maar dat u uw tijd ook beter gebruikte. Een stukje dat ik elders publiceerde, ging daarover. En aangezien al die lijsttrekkers straks wel bepalen wat er gebeurt op het terrein dat hier centraal stond, wil ik dat stukje graag ook hier plaatsen. Dat zal van Krapuul vast mogen:

Vertrouwen in de politiek?

Deze website komt voort uit zorgen over ontwikkelingen in de Nederlandse politiek. Een van de grootste van die zorgen is de opkomst van anti-politieke partijen, mogelijk gemaakt door een groeiende groep proteststemmers: mensen die geen vertrouwen meer hebben in wat ‘ze in Den Haag’ aan het uitspoken zijn. Ik snap dat wantrouwen wel. Erger nog, ik deel het. Misschien is het toch zinnig eens helder te krijgen wat we van de politiek verwachten. Voor u kan ik niet spreken, alleen voor mezelf, maar wellicht herkent u zich erin. Zo niet, dan hoor ik het wel. Een eerste poging:

beginselen

Van politieke partijen verwacht ik dat ze op basis van heldere beginselen plus een gedegen analyse van de feitelijke situatie een programma opstellen. Die analyse wordt als het goed is voortdurend bijgesteld omdat zowel de situatie zelf als onze kennis van die situatie verandert. Maar de beginselen bepalen de identiteit, de ziel zo u wilt, van de partij. Wie daarmee sjoemelt, versjachert zijn ziel. En wat ik zie is dat de meeste partijen hun ‘beginselen’ voortdurend opofferen aan de heersende politieke windrichting. Ze zijn tegen de kilometerheffing, tegen aanpassing van de hypotheekrenteaftrek, tegen verhoging van de AOW-gerechtigde leeftijd, omdat het alternatief stemmen zou kosten, hoeveel moois hun beginselen ook zeggen over het milieu of over sterke en zwakke schouders.

Kennelijk zien ze die beginselen niet als een stelsel van morele uitgangspunten, maar als een setje reclameslogans die je inzet als dat stemmen trekt en snel weer overboord zet als de klandizie tegenzit. Zulke partijen zijn er niet op uit om een bepaalde maatschappijvisie naar voren te brengen, maar alleen om zoveel mogelijk zetels, dus zoveel mogelijk macht te krijgen. Dat geeft me een zeer onzeker gevoel: als ze mij als lid of kiezer kunnen inwisselen voor twee anderen, doen ze het meteen. Van zo’n partij kan ik niet op aan, zo’n partij is niet betrouwbaar. En als er daar veel van zijn, zoals nu in Nederland, straalt dat lelijk af op de politiek in het algemeen.

debatten

Van mijn vertegenwoordigers in de Tweede Kamer verwacht ik dat ze een heldere visie uitdragen op de toekomst van ons land, de visie die mij ertoe bracht op ze te stemmen. Maar ik verwacht vervolgens ook dat ze die visie inbrengen in een overleg dat erop gericht is een samenhangend beleid te ontwikkelen waarin iedere Nederlander zich in elk geval enigszins herkennen kan. Zulk overleg vereist een goede verstandhouding, wederzijds respect en wederzijds begrip. En ook daarvan zie ik weinig. Neem het ‘debat’ dat de ondergang van ons laatste kabinet inluidde. We zagen een groep pubers elkaar vliegen afvangen, elkaar verbaal in het nauw brengen, stuurs de andere kant op kijken als dat rotjoch voorbijkwam waar ze ruzie mee hadden, of met doorzicht geschmier de vermoorde onschuld uithangen als iemand het waagde aan hun rechtschapenheid te twijfelen. Herkenbaar? O zeker, maar daarmee nog niet minder beschamend.

Ik geef van harte toe dat ik diep in mijn hart nooit veel ouder dan een jaar of zeventien ben geworden, en dat wat ik aan volwassenheid in huis heb een dun vernisje is. En ik acht mezelf niet zo uniek dat ik denk dat dit voor mij alleen geldt. Het lijkt me een vrij gangbaar verschijnsel. Zo’n vernisje echter heeft een functie: het maakt samenwerking mogelijk die voor onbesuisde zeventienjarigen wel eens lastig vol te houden is, en daarmee is het van levensbelang voor een goed functionerende democratie. En debatteren is fnuikend voor zo’n vernisje.

Het debat als vorm van sport kwam kort na mijn studententijd op. Ik heb er één keer aan meegedaan, en ’t ging me niet eens heel slecht af, maar ’t bracht wel het slechtste in mijn boven. Dat was eens maar nooit weer. Debatteren doe je om te winnen, om van de publieke tribune te worden toegejuicht. Iets oplossen doe je ermee niet. ’t Is niet voor niets dat de standpunten in klassieke debatwedstrijden naar willekeur worden toebedeeld: je krijgt een stelling mee zoals je bij de gymles een speelhelft of een gekleurde sjerp krijgt toegewezen. Het gaat er niet om de ander te overtuigen, laat staan zelf eens dieper na te denken en – de hemel verhoede – van mening te veranderen; het gaat erom de ander te verwarren, af te troeven en onderuit te halen. De beste debater heeft de meeste drogredenen in zijn trukendoos en maakt er het efficiëntst en het meest gewetenloos gebruik van. Het debat is een valsere sport dan kooivechten.

Een parlement dat debatteert, verdoet zijn tijd en zijn reputatie en besmeurt de democratie. Als gekrakeel de norm wordt, kunnen we net zo goed met z’n zestien miljoenen op straat gaan staan schreeuwen.

Kamerleden doen vast meer dan debatteren. Het lastige is alleen dat we nauwelijks weten wat zich afspeelt in de wandelgangen, in de werkkamers en vergaderzaaltjes elders in het kamergebouw, en ook nog maar nauwelijks wat er gebeurt in commissievergaderingen waar wie weet hoeveel van het eigenlijke werk gedaan wordt. We zien op televisie vooral wat er gebeurt in de grote vergaderzaal. Wat we daar zien, bepaalt ons beeld, en als dat beeld geen recht doet aan het eigenlijke werk dat onze parlementariërs verzetten, zou het beter zijn als we het niet zagen. Hoe verlekkerd we er misschien ook naar kijken, het schaadt ons vertrouwen in mensen van wie je mag hopen dat ze tot meer in staat zijn. Misschien wordt het tijd de tv uit het Haagse te weren? ’t Zou zomaar kunnen dat die malle debatten dan ook niet meer gevoerd worden, gewoon omdat er geen massatribune meer is die de puberdrang oproept voor het kijkersoog te scoren.

de afstand tussen politiek en burger

Al decennia lang horen we dat de afstand tussen ‘de politiek’ en ‘het volk’ verkleind moet worden. Er zijn partijen opgericht met als hoofddoel die afstand te overbruggen. Maar stel nu eens dat die analyse niet deugt? Ik vrees dat die afstand noodzakelijk is om onze vertegenwoordigers de rust en de ruimte te geven te doen wat voor zeventienjarigen-van-hart altijd moeilijk blijft – overleggen in plaats van debatteren, problemen oplossen in plaats van ze te etaleren met het oog op electoraal gewin, samen tot een scherper inzicht komen in plaats van elkaar te tackelen. Als dat klopt, betekent elke poging de politiek dichter bij de burger te brengen een verdere ondergraving van die politiek. Ik wil geen burgemeester kiezen en al zeker geen premier. Ik wil geen referendum. Ik wil geen districtenstelsel. Ik wil politici die ik kan vertrouwen en die vasthoudend aan hun beginselen gezamenlijk tot doordachte compromissen komen. En geloof me, dat kunnen ze alleen in achterkamers.