Bart Voorzangers weblog

top

volgend

overzicht

59 Hoofddoekjes en groepsdruk

Scholen die hoofddoekjes verbieden om hun leerlingen te vrijwaren van sociale druk spannen het paard achter de wagen. Een goede school wapent zijn leerlingen tegen de boze buitenwereld door ze kennis en inzicht bij te brengen, en niet door die boze wereld buiten te sluiten.

donderdag, 23 september 2010

Een stukje deze keer voor Henk, die mijn stukjes uit puur afgrijzen niet meer lezen wil, en ook een beetje voor mevrouw Heremans die als directeur van het Koninklijk Atheneum in Antwerpen wel iets beters te doen heeft. Gelukkig bent u er nog.

Mevrouw Heremans verbood op haar school het dragen van hoofddoekjes. Het precieze waarom wilde me niet geworden, maar ’t had in elk geval ook te maken met sociale druk. Mevrouw Heremans wilde dat ieder in vrijheid kon kiezen en stond hoofddoekjes daarom lang toe, maar toen steeds meer meiden vanwege groepsdruk zo’n doek gingen dragen, vond ze het tijd worden voor een verbod.

Henk viel over een stukje van mij waarin ik de onderdrukking van islamitisch vrouwen trivialiseerde door die gelijk te stellen met de sociale druk waaronder tieners altijd overal van alles dragen dat ze uit zichzelf misschien nooit gekozen hadden. Ik had een andere vergelijking op het oog dan hij aannam – dacht aan moslimmeiden op bijvoorbeeld het Koninklijk Atheneum, en niet aan Afghaanse plattelandsvrouwen die een aanval met zuur en messen riskeren als ze zich burkaloos buitenshuis wagen – maar als m’n stukje zich lezen laat zoals Henk dat deed, formuleerde ik mijn gedachten onvoldoende zorgvuldig. Dat hoor ik mij aan te trekken.

Ik geloof mevrouw Heremans meteen als ze zegt dat de meiden op haar school in dat eerdere, verbodsvrije, tijdperk door leeftijdsgenoten onder druk werden gezet om ook een hoofddoek te dragen. Zulke drang heerst in elke groep en pubers en adolescenten zijn er zeer gevoelig voor. In zijn mildste vorm gaat het nog: je ziet op tegen de leidende figuren, wil bij hen horen en neemt, onbewust bijna, aan dat je dat bereiken kunt door je te kleden en te gedragen zoals zij. Of zij dat merken is zeer de vraag, maar als die kleding en dat gedrag je zelfvertrouwen schragen, is er al veel gewonnen.

Minder mild wordt het wanneer groepsgenoten je daadwerkelijk beginnen te waarderen naar de mate waarin je aan een of ander kledingideaal beantwoord, en dat ook laten merken. Als je je niet conformeert, lig je eruit en dat kan knap vervelend zijn.

Onzekerheid speelt bij dit alles een grote rol, en die kent minstens twee vormen: volgzame onzekerheid die leidt tot conformisme aan de groepsnorm, en dwarse onzekerheid die leidt tot een consequente afwijking daarvan. Wat beide typen gemeen hebben is dat hun keuzen worden afgedwongen door de groep; van het vrij volgen van eigen smaak en oordeel is geen sprake. Dat hoort bij de adolescentie, en voor velen duurt die tot hun tachtigste. Een tweede overeenkomst is dat beide typen heilig geloven geheel zelfstandig en naar hoogsteigen normen te kiezen. Gebrek aan zelfkennis hoort bij … nou ja, enzovoort.

De mens is groepsdier en wie bij vrijheid denkt aan volslagen autonomie ten opzichte van de groep jaagt een illusie na. Wie zich bewust is van de mechanismen achter zijn keuzen – en met een brede grijns kan zeggen ‘Natuurlijk kocht ik deze das omdat de baas bijna dezelfde heeft; daarom draag ik hem ook zo graag!’ – heeft het al een eind gebracht.

De religieuze connotatie van de hoofddoek voegt uiteraard een dimensie toe. Een behoorlijk wezenlijke dimensie zelfs. Dat het dragen van merk X je tot waardevoller medemens maakt dan het dragen van merk Y is onmogelijk uit te leggen; dat is gewoon zo. Of niet natuurlijk. Maar zo’n hoofddoek wordt door de voorstanders – en zeker de dwingende voorstanders – gezien als teken van godsdienstige zuiverheid. Dat maakt de keuze voor gelovigen een stuk wezenlijker: doe het ding niet om en je hebt kennelijk lak aan wat volgens de dwingelanden de wil van het Opperwezen is. Da’s geen verwijtbaar gebrek aan smaak, maar pure ketterij. Alleen, daar staat iets tegenover. De oerbronnen van de islam zeggen nergens dat de vrouw beslist een hoofddoek dient te dragen. Volgens de koran moet ze iets bedekken, maar wat dat iets – vaak vertaald met termen als ‘schoonheid’ of ‘sierraad’ – precies is, is onduidelijk, en daarmee is ook onduidelijk hoe letterlijk dat ‘bedekken’ bedoelt is. Een interpretatie als ‘vermijdt (erotisch) uitdagende kleding’ is goed te verdedigen, al is dat dan wellicht de meest gangbare interpretatie niet. Over wat wij weten van de wil van het Opperwezen valt, anders dan over de verdiensten van merk X, wel degelijk te twisten, al vereist dat dan wel enige kennis van zaken. En misschien had mevrouw Heremans daar als schoolhoofd toch wat langer bij stil moeten staan.

Het is beslist lofwaardig dat een school zijn leerlingen wil beschermen tegen sociale druk, maar het is de vraag of schoolregels – kledingvoorschriften bijvoorbeeld – daarvoor het beste middel zijn. Zelfs scholen met een schooluniform kennen die druk, ook waar het om kleding gaat, al zal het relevante onderscheid hem zitten in subtielere details, en merkt de schoolleiding er daardoor minder van.

De enige manier waarop je leerlingen kunt helpen onder die druk hun eigenheid te ontwikkelen is door ze dingen te leren – welke sociale én psychologische processen spelen hier, hoe herken je die, in de groep én in jezelf – en door ze, waar het gaat om inhoudelijke kwesties, zoals bij het religieuze voorschrift achter dat hoofddoekje, voldoende inhoudelijke kennis mee te geven. Wie niet geleerd heeft zelf de bronteksten van zijn geloof te lezen, te interpreteren, en vrijelijk te bediscussiëren, weet niets van zijn geloof. Het Koninklijk Atheneum is een interconfessionele school; alle reden dus voor flink wat theologische vorming. Ze hebben er waarachtig godsdienstleraren genoeg.