Bart Voorzangers weblog

top

volgend

overzicht

67 De drogredenen van Nahed Salim (e.v.a.)

Het idee dat immigratie de oorzaak van allerlei problemen is, berust op een aantal drogredenen. Een daarvan is dat op zich reële problemen impliciet maar ten onrechte worden toegeschreven aan de herkomst of afkomst van de betrokkenen; een tweede dat de wereld van nu, mét al zijn problemen, impliciet wordt vergeleken met een volstrekt fictieve wereld zonder migratie en zonder problemen.

zondag, 31 oktober 2010

Mevrouw Selim (in de Trouw van 30 oktober 2010) bezocht een conferentie over immigratie waar werd gepleit voor ‘versoepeling van de immigratieregels en voor meer ruimte voor cultuurverschillen: de bestaande vrijheid van verkeer van goederen en kapitaal zou ook moeten gelden voor personen.’ Desgevraagd legde mevrouw Guild, hoogleraar migratierecht aan de Radboud Universiteit haar uit waarom je dat moet vinden: ‘Elke burger mag zijn land verlaten, daar hebben alle mensen recht op, maar waar moet de emigrant heen als hij nergens wordt toegelaten?’

Dat is een vreemd argument voor onbeperkte migratie – ’t klinkt als ‘ik heb het recht u iets te vragen, en dat recht heeft geen zin als u mij niet geeft wat ik u vraag’ – zo raar zelfs dat je je afvraagt of professor Guild dat werkelijk zo ziet; laten we hopen dat ze dat eens wil toelichten. Maar los daarvan, het feit dat iemand iets vind om een rare reden, maakt dat iets nog niet raar. Kennelijk vind mevrouw Selim dat ook want ze geeft zelf redenen om tegen onbeperkte immigratie te zijn.

Wie nu nog een versoepeling van de immigratie- en asielregels bepleit heeft de afgelopen twintig jaar in een diepe slaap doorgebracht. Inmiddels heeft de massa-immigratie het leven in de drie grote steden – die nu voor eenderde uit allochtonen bestaan – aangetast. De autochtone bevolking is erdoor gedesillusioneerd geraakt.

Ik woon in zo’n grote stad en ik ken erg veel autochtonen die bepaald geen gedesillusioneerde indruk maken, die net als ik blij boodschappen doen bij Turkse groenteboeren, Marokkaanse bakkers en Surinaamse tokohouders met wie ze een allerhartelijkst contact hebben, in wijken waar zonder deze middenstanders geen winkel meer open was.

Zeker er is iets veranderd. De vele blanke buurtgenoten met wie wij vroeger geen woord wisselden, zijn vervangen door evenveel gekleurde buurtgenoten die we niet spreken. Maar je moet kort van memorie zijn om dat gebrek aan contact toe te schrijven aan een etnisch of cultuurverschil dat er vroeger niet was.

Het ‘integratie-’ of ‘immigratiedebat’ lijkt vaak te gaan over de vraag of er nu wel of geen problemen zijn. De hierboven geciteerde passage van mevrouw Selim is maar één voorbeeld van wat in feite een terugkerend thema is, het verwijt dat de multiculti’s de problemen in de grote steden en op de arbeidsmarkt ontkennen: ze bagatelliseren de druk op de uitkeringen en de overlast van de criminaliteit; ze liggen – zie boven – te slapen. Anti-multiculti’s daarentegen zien die problemen wel en stellen voor er iets aan te doen: beperkt te immigratie!

Het multicultiverhaal is echter net iets ingewikkelder dan het hier wordt voorgesteld. Niemand ontkent dat er akelig veel mensen inactief zijn, dat er spanningen zijn tussen bevolkingsgroepen, dat sommige wijken lijden onder een golf van criminaliteit. De vraag is alleen hoe dat komt. De monoculti’s menen dat die problemen het gevolg zijn van immigranten, of minstens van concentraties immigranten. Dat suggereert dat zulke problemen er zónder de immigratie van de afgelopen decennia niet geweest zou zijn. Alsof er in de jaren zestig géén spanningen, geen werklozen, geen criminelen waren. Die waren er allemaal wel, alleen ze konden niet worden toegeschreven aan etnische diversiteit.

En laten we wel wezen. De problemen waarom het hier gaat waren er niet alleen in pak weg het Amsterdam van de jaren zestig. Ze komen al uitgebreid voor in de romans van Charles Dickens en Victor Hugo; en voor wie het zien wil in de verhalen over Robin Hood en de Vos Reinaarde. We hebben meer dan een eeuw heftige politieke strijd achter de rug over de vraag wat de oorzaak van deze problemen is, en wat je eraan doen moet. Zo gek is het niet om te menen dat de wortels ervan onmogelijk kunnen liggen in onze eigen zeer recente immigratiegeschiedenis.

Al even algemeen trouwens is het verschijnsel dat dit soort problemen worden toegeschreven aan minderheden. In Engeland kregen ooit de Ieren de schuld, op het Europese vasteland moesten vooral joden en zigeuners het ontgelden. En inderdaad: dat waren daar en destijds allemaal groepen die oververtegenwoordigd waren in de armste, meest afhankelijke en meest criminele bevolkingsgroepen. Het anti-immigratiedenken is geen recente uitvinding, het is een culturele constante.

Maar daarmee zijn we er niet. Mevrouw Selim vervolgt haar verhaal met het onderzoek van Nyfer waaruit na wat rekenwerk zou blijken dat niet-westerse allochtonen ons een kleine vijfentwintigduizend euro per persoon per jaar kosten. Over de onzinnigheid van dat onderzoek is veel geschreven, dat hoef ik hier niet over te doen. Belangrijker is het volgende zinnetje:

Niet-westerse allochtonen doen namelijk „vaker dan gemiddeld een beroep … op arbeidsongeschiktheids-, werkloosheids- en bijstandsuitkeringen. Ook doen zij een groter beroep op zorg en veroorzaakt hun oververtegenwoordiging in de criminaliteit extra kosten”.

Die oververtegenwoordiging, zo meent mevrouw Selim, drukt zwaar op de solidariteit van autochtonen met allochtonen, en daar heeft ze gelijk in, maar de kern van het probleem zit hem in de manier waarop ze het formuleert. Wie zegt dat niet-westerse allochtonen zijn oververtegenwoordigd in de criminaliteit, doet impliciet een uitspraak over álle niet-westerse allochtonen en laat de criminaliteit van wat ook daar nog steeds een kleine minderheid is, afstralen op de hele groep. Voor andere gebreken geldt hetzelfde. Dat de overgrote meerderheid geen uitkering krijgt, geen overdreven beroep op zorg doet en niet crimineel is, blijft daardoor ongezegd. Erger nog, de argeloze luisteraar naar dit soort zinnetjes wordt ertoe uitgenodigd een eerlijke allochtoon te zien als een nóg-niet-criminele allochtoon, en een werkende allochtoon als een nóg-niet-werkloze allochtoon, zoals de jood die je niet oplichtte ooit een jood was die je nóg niet had opgelicht en een werkende zigeuner ooit (en naar het zich laat aanzien ook nu nog) een zigeuner die het luie gemak van een bedelend bestaan nóg niet ontdekt had.

De vraag is waardoor mensen in uitkeringen belanden, wat tot een groot beroep op zorg leidt, en wat tot crimineel gedrag. Door je klacht te formuleren in termen als ‘niet- westers’ en ‘allochtoon’, suggereer je dat etniciteit een risicofactor is, dat afkomst en herkomst ‘oorzaken’ zijn van arbeidsongeschiktheid, werkloosheid en criminaliteit. Je suggereert daarmee dat Tarik arbeidsongeschikt is omdat hij Turk is, in plaats van omdat hij zich in een kutbaan kapotgewerkt heeft. Je suggereert ermee dat Mohamed tasjes steelt omdat hij Marokkaan is in plaats van omdat hij door een complex van sociaal-economische oorzaken de boot miste.

Een probleem met het onderzoek van Nyfer is wat het weglaat. De suggestie – niet noodzakelijk van de onderzoekers, overigens – is dat Nederland zónder een kleine halve eeuw immigratie een sociaal paradijs zonder arbeidsongeschikten, werklozen, zorgbehoevenden en criminelen zou zijn geweest. Maar dat is weinig waarschijnlijk. Zonder die immigratie hadden we namelijk ook minder economische groei gehad. Zonder die immigratie waren allerlei bedrijfstakken ingestort, of in elk geval éérder ingestort zonder dat daar al iets voor in de plaats was gekomen. We waren met minder geweest, maar we hadden ook minder te verdelen gehad, en aangezien de scheefte van de verdeling toch wellicht niet zo heel anders was geweest, was er ook dan een onderklasse geweest die uitkeringen trok en een groter risico had gelopen op afglijden naar crimineel gedrag. De materiële en immateriële kosten daarvan zou je in mindering moeten brengen op de kosten die Nyfer nu toeschrijft aan onze recente immigranten. Helaas zijn ze zo moeilijk te becijferen dat we wel nooit zullen weten wat we bij die immigratie zijn op- of ingeschoten. Het Nyferonderzoek is irrelevant en alles wat mensen als mevrouw Selim eruit afleiden een dwaze slag in de lucht.

Mevrouw Selim juicht bij het immigratiebeleid van het nieuwe kabinet – en wie weet zit daar een enkele maatregel tussen waar iets voor te zeggen valt. Maar de vraag is waarom dit beleid zo’n nadruk krijgt. De boodschap van het nieuwe kabinet lijkt te zijn dat wij twee problemen hebben: een stagnerende economie die door forse bezuinigingen op gang gebracht moet worden en een immigratieprobleem. Het belang van dat eerste wordt kamerbreed onderschreven, het schijnbare belang van het tweede berust op denkfouten en vooroordelen. Het wordt – de inbreng van de PVV – benadrukt om de autochtone meerderheid een gezamenlijke vijand te bieden waar het nieuwe kabinet ons nu eindelijk eens tegen gaat beschermen: alle witte neuzen veilig dezelfde kant op.

En over de échte problemen – klimaatsveranderingen, een dramatisch ineenstortende biosfeer, een dreigende energiecrisis, een dreigende zoetwaterschaarste die wereldwijd tot behoorlijk dramatische conflicten zal leiden – hebben we het niet.