Bart Voorzangers weblog

top

volgend

overzicht

74 De Franse revolutie en de boerka

Een pleidooi om het over zinniger zaken te hebben dan een boerkaverbod.

maandag, 17 januari 2011

De Franse revolutie had z’n gebreken, maar de slogan deugde: vrijheid gelijkheid en broederschap. Daar kunnen we wat mee.

Vrijheid

Geef mensen de ruimte hun leven naar eigen ideeën en idealen in te richten. ’t Is altijd verleidelijk voor anderen te bedenken wat ze vooral wel en niet moeten doen, maar of die anderen daar wel bij varen is de vraag. Ieder heeft zo z’n eigen ideeën over waar het in dit leven om gaat – en óf het wel ergens om gaat. ’t Is altijd verleidelijk om van ideeën die je bij anderen niet aanstaan te menen dat die ze zijn aangepraat, en opgelegd en dus niet ‘echt’, niet ‘authentiek’, en wie weet klopt dat ook, maar dat zou net zo goed kunnen gelden voor ons eigen ongenoegen óver die ideeën. Het onderscheid tussen wat we ‘eigenlijk’ vinden en wat we dénken te vinden, is zo moeilijk te maken dat het er praktisch betekenisloos van wordt. En ánderen vertellen dat hun ideeën niet echt de hunne zijn, is gewoon gevaarlijk. Meestal draait het erop uit dat we onze eigen ideeën doorleefd en doordacht achten, en die van wie er anders over denkt, misleid en opgedrongen. Het wezenlijk verschil tussen dwaling en inzicht zit ’m hier niet in het fundament, maar in de aanhang: zij of wij. Het zij zo.

Streven naar vrijheid betekent dus in het uiterste geval: anderen evenveel ruimte geven voor hun gekte – hun ‘ideologie’ voor wie graag met dat woord schermt – als we zelf willen voor het beleven – in denken en doen – van onze weloverwogen overtuigingen. En dat is van belang. Anderen de vrijheid geven die we zelf ook willen, is relatief makkelijk als die ander net zo wil leven als wij – dat is de kunst niet. Moeilijk wordt het pas als de ander iets heel anders wil. Of je echt respect voor andermans vrijheid hebt, blijkt pas als je in staat blijkt die vrijheid te gunnen aan wie daar iets mee doet dat je zelf afwijst.

Vrijheid van geweten – mogen denken wat je denkt – is een oud goed in onze samenleving. ’t Is de minst veeleisende vrijheid. Lastiger wordt het als iedereen ook mag zéggen wat ie denkt – vrijheid van meningsuiting. Niet dat een door anderen geuite mening je wat dan ook belet, maar ergernis ervaren we soms al als hinder, als een inperking van onze levenssfeer. Ik vind dat kinderachtig (van mezelf natuurlijk allereerst, maar van u ook), en stel voor klachten over zulke hinder te negeren. En zeker, dat betekent dat wat mij betreft de holocaust ontkend, Mein Kampf verkocht, elke kwetsende cartoon gepubliceerd en elke profeet een onmens genoemd moet mogen worden, en dat los van de vraag of ik het met die uitingen eens ben.

Anders ligt dat bij hinder van wat anderen in vrijheid dóen. Met wat we doen beperken we de handelingsvrijheid van anderen. Dat brengt ons bij de noodzaak van

Gelijkheid

Gelijkheid betekent dat de één niet meer rekening met de ander hoeft te houden dan de ander met de één. We hebben het dan gauw over de ‘ruimte’ die ieder krijgt om zichzelf te zijn, de ruimte die voor ieder even groot zou moeten zijn. Het is goed te beseffen dat we het woord ‘ruimte’ hier als metafoor gebruiken, en metaforen gaan altijd ergens mank. Bij ‘ruimte’ denk je al snel aan iets dat je kunt meten, in vierkante of kubieke meters bijvoorbeeld, en dat kan hier niet. De ruimte voor eigen vrijheid heeft geen duidelijke dimensie; daar valt niets aan te meten. Dat wreekt zich als ergens mensen, immigranten bijvoorbeeld, bijkomen die hun eigen ruimte eisen – en daar, voor wie aan gelijkheid hecht, ook alle recht op hebben. De ruimte die de reeds aanwezigen moeten inleveren ervaren ze al gauw als groter dan de ruimte waar de nieuwkomers van moeten afzien. De nieuwkomers zelf ervaren dat precies andersom. Ze reageren dan ook snel (d.w.z. snel in ónze beleving) geprikkeld als we nóg meer eisen stellen. En aangezien er geen bruikbare maat is voor ingeleverde vrijheid, is elke discussie hierover bij voorbaat zinloos. De enige werkbare oplossing ligt dan in – het geniale van deze drieslag – de

Broederschap

en wel in de zin dat ware broeders geen nauwkeurige boekhouding proberen bij te houden van wie wanneer wat kreeg en wie daar wat precies voor inleverde, of aan zich voorbij zag gaan. Broederschap is het vermogen het eigene van de ander voor ogen te houden, en een beetje mee te genieten wanneer die ander een idee, een ideaal, verwezenlijkt, ook als dat nooit jouw idee, jouw ideaal zou zijn. Wie dat kan, zeurt niet als hij eens even wat moet inschikken.

En de boerka

Oké, dat was allemaal heerlijk abstract. Werkt dat ook echt als je het toepast op de harde werkelijkheid? Ik neem iets concreet en actueels: de boerka-discussie. Er zijn vrouwen die zich vrijwel geheel in textiel verbergen als ze over straat gaan, en er zijn mensen die ze dat willen verbieden. Is hier sprake van een vrijheid van de één – die van de boerkadraagster – die de vrijheid van de ander inperkt? Nou, je zóu het zo kunnen reconstrueren: ‘Ik wil leven in een wereld waarin ik de gezichten van mijn medemensen kan zien, en die mogelijkheid wordt mij benomen door mensen die hun gezicht bedekken. Ik lever dus iets wezenlijks in zodra een boerkadraagster mijn pad kruist. Dat kun je van mij niet verwachten!’

Er zijn vast mensen die zo denken, maar ik denk dat ze iets over het hoofd zien. Er is niets dat ze bij ontstentenis van de boerkadraagster hadden kunnen doen, dat ze níet kunnen doen nu zij er wel is – nou ‘niets’: je kunt niet staan op de plek waar zij staat, of precies daar lopen waar zij nu loopt, maar dat geldt omgekeerd evenzeer, dus wat dat betreft is de vrijheid zeer gelijk verdeeld. (Terzijde: dit is een van die zeldzame gevallen waarin de ‘ruimte’ waarover ik het eerder had ook écht ruimte in een letterlijke zin is, dus we kunnen de gelijkheid netjes nameten.)

Een mogelijk tegenargument is dan dat je niet weet wie je tegenover je hebt, als je iemands gezicht niet kunt zien, en dat zulk niet-weten je veiligheid bedreigt, maar (a) wie ze is, wist je ook niet als je haar gezicht wél kon zien, want je ként helemaal geen boerkadraagsters, (b) die onzichtbaarheid accepteer je wel bij mensen van wie je om andere redenen het gezicht niet zien kunt – omdat dat schuilgaat achter een spiegelende autoruit, een wegens de kou voor het gezicht geslagen sjaal of een baard als de mijne, en (c), meer in het algemeen, we gaan er te gemakkelijk van uit dat gezichten van onbekenden informatief zijn – de hardnekkige waan dat iemand al dan niet deugt omdat zijn of haar gezicht ons al dan niet aanstaat – die maar zelden wordt afgestraft, gewoon omdat vrijwel álle mensen deugen. Kortom, gezichten willen zien, en menen tekort te worden gedaan als dat eens even niet kan, is géén argument tegen de vrijheid je gezicht te verhullen.

Maar er zijn andere argumenten. Een deel van het verzet tegen de boerka komt voort uit de behoefte de boerkadraagster te bevrijden – en dus uit de overtuiging dat ze bevrijd moet (en ook wil) worden: als zij vrij kan kiezen, draagt ze zo’n ding niet. Dat is een mooi idee, maar ik vrees dat de werkelijkheid ingewikkelder is dan de in hun bedoelingen lofwaardige aanhangers van dit idee denken.

De boerkadraagster trekt thuis een boerka aan alvorens de deur te verlaten. Doet ze dat in vrijheid? Wie het weet mag het zeggen. De een, een verse bekeerlinge bijvoorbeeld, die nog thuis woont en daar geen juichende achterban heeft, wordt er kennelijk niet voor vertrek toe gedwongen, wat bij de ander, een uitgehuwelijkte Afghaanse bijvoorbeeld, wellicht anders ligt. Maar die laatste heeft de optie het ding af te doen zodra ze uit zicht van thuis is – tenminste, als ze dat zou willen. Dat niet te doen, en het ding aan te houden, is een keuze. Kiest ze in vrijheid? Alweer: wie het weet mag het zeggen. ’t Zou kunnen dat ze bang is gezien te worden door iemand die haar boerkaloosheid doorbrieft aan het heerszuchtige thuisfront, waar ze zich daarna niet meer kan vertonen zonder dat er van alles zwaait. Maar ook dat weer vertonen is een keuze; ze zou de benen kunnen nemen. Doet ze dat niet, dan is er kennelijk iets wat haar bindt aan dat thuis dat haar het dragen van een boerka oplegt. Als ze het ding al niet zelf aan wil, draagt ze het omwille van de voordelen die dat met zich brengt. Kennelijk wegen die voordelen op tegen de last van de gezichtsbedekking. Je zou haar gunnen dat ze er bij haar thuis níet aan hechten dat ze zich zo drastisch bedekt, zodat ze in vrijheid kan kiezen, maar dat bewerkstellig je niet door die dracht te verbieden. Bovendien perk je daarmee de vrijheid van haar thuisfront in, en hoe verleidelijk dat misschien ook is, we komen daarmee wel op het punt waar ik eerder al op duidde: het punt waarop anderen met hun vrijheid iets doen dat ons niet aanstaat – het punt dus waarop blijkt of we werkelijk respect hebben voor de vrijheid van anderen.

Een simpele uitweg is te besluiten dat er in ons land geen plaats is voor wie van zijn vrouw, moeder, dochter, tante, nichtje eist dat ze buitenshuis een boerka draagt. Ik zou daar niet voor kiezen, maar sommige van mijn landgenoten doen dat wel. ’t Is op zich een volstrekt respectabel standpunt, zij het dan een standpunt dat definitief afscheid neemt van het vrijheidsideaal. Ironisch genoeg zie je die radicale breuk met onze traditie vooral bij partijen die ‘vrijheid’ zo belangrijk zeggen te vinden dat ze die – met of zonder ‘democratie’ – expliciet in hun naam opnamen. In feite gaat het hier om partijen voor de gelijkheid, en dan nog alleen ‘gelijkheid’ in de zeer beperkte zin van gelijkschakeling, van ‘jij mag precies wat ik ook mag’, in plaats van ‘jij krijgt evenveel ruimte om je zelf te zijn als ik’. (Misschien moesten we eens een Partij voor de Gelijkheid oprichten die zich voor vrijheid inzet?)

Kunnen we dan niets doen voor een vrouw die tegen haar zin een boerka draagt? Wel zeker, we kunnen haar een alternatief bieden: de mogelijkheid van een nieuw thuisfront waar men haar dat ding niet oplegt. Dat kan werken als ze het ding draagt om weer naar huis te kunnen, en als ze weer naar huis wil kunnen omdat ze voor haar gevoel nergens ánders heen kan. Biedt haar een uitweg, een opvangmogelijkheid waar ze zich kan voorbereiden op een boerkaloos bestaan dat voor haar het leven ook echt waard is, en zorg dat ze daarvan weet. Dan heeft ze een reële keuze. Er zijn er vast die daarvan gebruik zouden maken. Maar houd er rekening mee dat er ook zijn die het ding hun leven lang zullen willen blijven dragen, met hoeveel tegenzin soms ook, omdat ze daar mensen, en wie weet zelfs hogere machten mee plezieren die hen dierbaar zijn en wier wijsheid ze niet in twijfel getrokken wensen te zien – al zeker niet door u!

Kortom, laten we ophouden met dat gezeur over boerka’s (en als ’t aan mij ligt graag ook meteen dat over hoofddoekjes, niet-geschudde handen, zittenblijvende advocaten, gescheiden zwemuurtjes, imams die zeggen wat ze denken, enzovoort), laten we mensen die het moeilijk hebben bruikbare hulp bieden, en laten we niet te snel besluiten dát iemand het moeilijk heeft omdat wij niet met haar willen ruilen; ’t zou zomaar kunnen dat ze er vrede mee heeft.

Zie ook:

151 Over terreur en satire

57 De AEL en zijn holocaust-cartoon

26 plaatjes, poetsvrouwen en de profeet