Bart Voorzangers weblog

top

volgend

overzicht

82 Het ICA en zijn salafisten

Het radioprogramma Argos van VPRO en VARA wijdde twee uitzendingen aan de ondergang van het Islamitisch College Amsterdam (ICA). Ze laten de achteloze luisteraar makkelijk achter met het idee dat deze school door salafisten om zeep is gebracht. Maar die conclusie trekken we misschien toch te snel.

maandag, 21 februari 2011

In 2002 ging ik als vijftigjarige kwekeling – je wilt wel eens wat anders als je ouder wordt – aan de slag bij de islamitische basisschool El Faroeq Omar in Amsterdam-Zeeburg. Die school was geen bewuste keuze; andere redelijk bereikbare scholen hadden hun stageplaatsen al vol toen mijn Pabo mij veel te laat liet weten dat ik zelf iets zoeken moest. Op islamitische scholen zijn stagiaires altijd welkom. Ik stond al gauw regelmatig alleen voor de klas.

In 2003 nam de bestuursvoorzitter van de El Faroeq mij in dienst als ‘zij-instromer’: ik kreeg een zesde groep van een andere school van dezelfde stichting. Moslim hoefde ik daarvoor niet te zijn. Als ik ‘respect’ had voor de islam, was ik van harte welkom. Pas later merkte ik dat dit een zeer onduidelijke voorwaarde was. Wat zulk respect voor de islam inhield, lag nergens vast. Beleid op dat punt – en op vrijwel elk denkbaar ánder punt – was er niet. Over de vraag wat het voor een confessionele school betekent om anders-denkenden in dienst te nemen, was nooit gesproken, niet met de directie, niet met het personeel, niet met de ouders. Iedereen had daar dus zo zijn eigen ideeën over, en die varieerden van ‘wij willen een school zijn die de wereld binnenhaalt zodat onze kinderen leren leven in een veelkleurige samenleving’ tot ‘wij kunnen onvoldoende geestverwant personeel krijgen, en moeten het zolang doen met ongelovigen, die hun anders zijn uiteraard zo veel mogelijk verhullen’. En zoiets gold – en geldt? – voor andere slecht geleide islamitische scholen, met inbegrip van het ICA, al evenzeer.

Moeilijkheden met orthodoxe moslims die mij tolereerden zolang mijn niet-moslim-zijn onzichtbaar bleef – wat het niet deed – heb ik niet echt gehad, maar uit de verhalen van docenten van andere islamitische scholen die daar na de nodige aanvaringen gedesillusioneerd vertrokken, blijkt dat ik mij gelukkig mag prijzen.

De vraag is wel wat we uit die soms in-trieste verhalen moeten opmaken. In de Argos-rapportage klinken ze ook, en daar lijkt de conclusie dat salafistische baardmannen de macht op het ICA overnamen en een strakke islamisering afdwongen, ook waar dat ten koste ging van de kwaliteit van het onderwijs. Nu was óns onderwijs beslist niet beter dan dat op het ICA, en dat zónder de invloed van salafistische baardmannen. Onze scholen hadden qua personeel weinig te kiezen. Er stonden dus vaak onbevoegden voor de klas. De wel bevoegden blonken trouwens ook niet altijd uit in inzet, enthousiasme en deskundigheid. Zij waren vooral op gezeglijkheid geselecteerd. En ik was vooral aangenomen omdat ik als zij-instromer een zak subsidie meebracht. Die verdween in de algemene middelen waaruit onder meer de baantjes van bestuursleden werden betaald. Dat die subsidie er was, en dat die bedoeld was om begeleiding voor mij in te kopen, ontdekte ik pas heel veel later.

De belangrijkste oorzaak van het gebrek aan kwaliteit in islamitisch onderwijsland is slecht bestuur – door mannen wier kennis van zaken uitsluitend bestaat uit schaarse herinneringen aan dorpsschooltjes in een ver verleden en een al even ver land van herkomst. Als er bij het ICA al sprake was van een grote invloed van ultra-orthodoxen die meer om zuiverheid dan om goed onderwijs gaven, dan is dat eerder een symptoom dan een oorzaak van wat er mis was. De eerste lichting ICA-bestuurders was geïnteresseerd in status en financieel gewin, niet in onderwijskwaliteit. Wat het ICA aan kwaliteitsverbetering te zien gaf – en die verbetering wás er; zelfs de inspectie zag dat – kwam pas nadat het bestuur door orthodoxere heren was overgenomen. Er zijn ook orthodoxe moslims die wel om goed onderwijs geven. Zo zwart-wit ligt dat allemaal niet. De treurigste verhalen over ‘salafistische’ invloeden bij het ICA dateren juist uit de periode dat het eerste, relatief gematigde, bestuur er de scepter zwaaide.

En er is nóg een reden om op te passen met verhalen over ‘salafistische’ invloeden. ‘Salafist’ is een effectief scheldwoord voor wie anderen de wind uit de zeilen wil nemen. Het klinkt dan ook vooral als de spanningen oplopen. Na mijn – mislukte – onderwijscarrière ben ik nog een tijd actief geweest als adviseur en ambtelijk secretaris van een aantal medezeggenschapsraden van de basisscholen waar ik gewerkt heb. Toen ik die raden wat al te effectief adviseerde kregen personeelsleden van de grootste school van hun directeur te horen dat ze met mij moesten oppassen: ik had mij in het geheim tot de islam bekeerd en mij in mijn kersverse radicalisme aangesloten bij de Egyptische Moslimbroederschap; nu probeerde ik, in een heimelijke samenwerking met een paar al even salafistische vaders de macht bij de scholen naar mij toe te trekken. Natuurlijk kon ik daarom lachen, maar effect had het wel. De medezeggenschapsraden werden uit elkaar gespeeld, en het bestuur kon ongecontroleerd zijn gang gaan.

Matige besturen hebben baat bij ongenoegen in de gemeenschap die ze bestieren; ’t voorkomt dat men eendrachtig aan hún poten zaagt. Bij zulk ongenoegen klinken beschuldigingen van ‘salafisme’ – of juist van pogingen de school van zijn islamitische karakter te ontdoen – al snel, ook waar van ernstige meningsverschillen over de identiteit in feite geen sprake is.

Ik heb overigens lang en plezierig samengewerkt met mannen die naar verluidt al even gevaarlijk salafistisch waren als ik. Wellicht ben ik naïef of stekeblind, maar gemerkt heb ik van hun radicale ideeën nooit iets. Ze wilden allereerst goed onderwijs voor hun kinderen, en stonden tegenover een bestuur dat dat niet bieden kon.

Angst is een slechte raadgever. Maar in het spel rond het islamitisch onderwijs wordt vrijwel elke stap mede door angst ingegeven. Moslims zijn bang voor een geseculariseerde en pluriforme wereld die hen zijn relativisme wil opdringen, en bewaken dan al gauw angstvallig de schooldeuren. Niet-moslims zijn bang voor radicale haatzaaiers en vermoeden achter elke niet evident verwesterde moslims zo’n ‘salafist’. De niet-islamitische autoriteiten die iets willen doen aan de kwaliteit van het onderwijs rukken aan de deuren van de islamitische school en versterken zo de angst dat ze desnoods met geweld wensen binnen te dringen om de leerlingen hún ideologie op te dringen. En de bestuurders die proberen de deur dicht te houden, versterken al doende de angst dat ze van alles te verbergen hebben. Die vicieuze cirkel zullen we op de een of andere manier moeten doorbreken. Zolang we elkaar, of misschien kan ik beter schrijven ‘onszelf’, in angsten gevangen houden, blijft het spel rond het islamitisch onderwijs er een met louter verliezers.

Beluister vooral de Argos-programma’s van 5 en 12 februari, maar besef wel dat daarmee het hele, complexe, verhaal over de ondergang van het ICA nog lang niet verteld is.