Bart Voorzangers weblog

top

volgend

overzicht

83 Wat doen we met islamitisch antisemitisme?

Onze reactie op antisemitische uitingen van jonge allochtonen heeft alles te maken met onze geschiedenis. We denken kwaad te bestrijden dat ons nu van buiten bedreigt, maar het gaat in feite wellicht vooral om spoken uit ons eigen verleden. Misschien moeten we daar toch eens bij stilstaan voor we die blagen een proces aandoen.

vrijdag, 25 februari 2011

Ik groeide op in een wereld waarin wel eens werd gegrapt over Duitsers die ‘hun’ kuil claimden aan een zonnig Noordzeestrand, en waarin besmuikt werd gelachen als iemand een Duitser die de weg vroeg de verkeerde kant op stuurde, of – wat botter – om teruggave van z’n gestolen fiets vroeg. Echt chique vond niemand dat, maar ’t gold toch als begrijpelijk, en als onschuldig genoeg om toelaatbaar te zijn. De oorlog lag nog vers in ’t geheugen en een beetje afreageren moest kunnen. Al gauw nam de welvaart toe en gingen we op buitenlandse vakanties, maar wie daarbij toch maar liever niet naar Duitsland ging, hoefde dat niet uit te leggen. ’t Is volslagen idioot, maar dat ‘toch liever niet’ voel ik nú nog.

Een Jood voor de grap de verkeerde kant opsturen was ondenkbaar. Mijn oma voedde mij op met verhalen over ‘goede Duitsers’ die zij in de oorlog had meegemaakt – ‘die waren er óók’ en ze vond het belangrijk dat we dat bleven beseffen, al was het maar omdat we uiteindelijk toch weer gewoon met ons buurvolk zouden moeten omgaan. Maar over joden, zelfs al deed een hunner niet aardig tegen je, mocht je niets akeligs zeggen. Na wat die hadden meegemaakt was alles hen, aldus mijn oma, bij voorbaat vergeven.

Het na-oorlogse motto was duidelijk: Over de joden niets dan goeds … Zelfs het woord ‘Jood’ kreeg iets ongemakkelijks. We hadden het liever over ‘Joodse mensen’. In die omzichtigheid speelde een aantal dingen mee. Allereerst natuurlijk het besef dat er een ongekende moordpartij had plaatsgevonden. Maar daarnaast ook een ongemakkelijk gevoel over eigen afzijdigheid, of eigen medeplichtigheid; een ongemakkelijk gevoel over het eigen vooroorlogse antisemitisme – dat natuurlijk in het niet viel bij de agressieve jodenhaat van de nazi’s, maar toch …; en later, veel later, bovendien nog eens het besef dat de weinigen die uit de kampen terugkeerden hier vaak uiterst kil ontvangen waren: ons antisemitisme had die oorlog kennelijk doorstaan. En – nare vraag, maar ik stel hem toch – is dat antisemitisme nu écht voorbij, of merken we er zo weinig van omdat we nauwelijks meer joden tegenkomen zodat het kans tot slijten kreeg? Ik heb het niet over haat hoor, maar gewoon het gevoel dat ze toch een beetje anders zijn, net niet helemaal Nederlands, en net wat meer op de penning – dat onbehaaglijke gevoel waardoor het fijn is dat je met een term als ‘jóóds-christelijk’ kunt laten zien hoezeer je aan de goede kant staat. Ik steek mijn hand nog even nergens voor in ’t vuur.

Echt een voedingsbodem voor volwassen intermenselijk verkeer is zo’n complex van ongemakkelijke gevoelens helaas niet; al was het maar omdat het elke kritiek onmogelijk maakt die als antisemitisch kan worden uitgelegd. Het na-oorlogse anti-antisemitische klimaat in Europa maakte de stichting van de staat Israël mogelijk. Onder het motto ‘nooit weer’ dienden joden een staat te krijgen waar ze veilig en in vrede konden leven. En – alweer zo’n nare vraag; misschien zelfs dezelfde wel – waarom eigenlijk? Waren we bang dat we ze die veiligheid hier niet bieden konden? Kwam die exodus ons eigenlijk wel goed uit? Hoe dan ook, Europa vertaalde het eigen schuldgevoel in steun aan die staat, en een gesloten oog voor de spaanders die bij het daarvoor vereiste gehak nu eenmaal vielen. Ons anti-antisemitisme maakte ons blind voor de oorlogsmisdaden van Joodse milities, blind voor de arrogantie van de Israëlische politiek.

De Bevrijding ging vorig jaar met pensioen, maar de oorlog kleurt nog altijd onze belevingswereld. En daar worden we wreed aan herinnerd door nieuwe landgenoten die een andere historische erfenis meedragen. Voor ons is Duitsland – naast veel anders, hoor – het land dat ons vijf jaar bezette en dat verantwoordelijk was voor een genocide van ongekende proporties. Voor bijvoorbeeld mijn Egyptische vrienden is het toch vooral de macht die het opnam tegen hún Britse ‘bezetters’. En die genocide is voor veel moslims uit Noord-Afrika en het Midden-Oosten misschien toch eerder zoiets als het lot van Turkse Arabieren na de Eerste Wereldoorlog voor ons: dat er nare dingen gebeurd zijn, willen we best aannemen, maar wat er precíes gebeurde en wie daar precies verantwoordelijk voor waren – vragen die ten aanzien van de holocaust in Europa zo ongeveer taboe zijn – moeten de historici eerst nog maar eens netjes uitzoeken. Partij kiezen doen we daarna wel.

Juist veel nabijer, dus historisch reëler, zijn voor deze moslims de Joodse bezetting van Palestina, en de gevolgen daarvan voor de oorspronkelijke bewoners van dat gebied. Niet belast door onze schuldgevoelens, en met begrijpelijke woede over de Ramp, spreken zij over ‘joden’ dan ook makkelijker negatief dan wij. En kom hen niet aan met de hier nog wel eens klinkende kritiek dat ze wel erg weinig voor die zielige Palestijnen doen; ze hebben een aantal oorlogen voor ze gevoerd en forse verliezen geleden. Wij niet. Wij steunden kritiekloos de agressor.

Onlangs wandelden een aantal joodse, islamitische en christelijke voormannen broederlijk door Amsterdam om te getuigen van hun onderlinge solidariteit. Ik juich dat toe, geen misverstand daarover. Enkele allochtone onverlaten riepen ze boze dingen na en staken daarbij een gestrekte arm schuin omhoog. ’t leidde tot een officiële aanklacht wegens ‘antisemitisme’, en tot politieonderzoek. En ’t is waarachtig het enige voorbeeld niet van ‘antisemitisme’ uit allochtoons-islamitische kring.

De vraag – míjn vraag – is of we hier wel met de juiste maten meten. Is het denkbaar dat we de uitingen waarom het gaat toch vooral moeten zien als protest tegen de onderdrukking van geloofsgenoten door de staat Israël? Zeker, de kreten en gebaren als ‘joden aan het gas’ en hitlergroet, verwijzen naar de holocaust. Ze kennen onze zwakke plekken. Maar gas en Hitler horen bij ónze geschiedenis, niet bij de hunne.

En zou het kunnen dat zij met ‘joden’ toch net iets anders bedoelen dan wij? Zeker, strikt genomen maken ze (daarmee) ten onrechte geen onderscheid tussen joden en de staat Israël, maar dat is dus precies hetzelfde onderscheid dat wij niet maakten toen we de staat Israël z’n gang lieten gaan omdat we tegenover joden wel iets goed te maken hadden, en dat we nog altijd niet maken door Israël te blijven steunen.

Dat het gedrag van de jongens die de interreligieuze wandeling verstoorden ons pijnlijk treft is duidelijk. Maar komt dat niet vooral doordat ze ons raken in ons onverwerkte verleden? En vinden we niet vooral dat zij hun mond dicht en hun armen omlaag moeten houden omdat wij niet willen nadenken over een volwassener relatie met jodendom en Israël? Wordt het geen tijd daar eens bij stil te staan, in plaats van meteen weer in de hypercorrectheid van ons anti-antisemitisme te schieten?

En hoe staat het met de joden zelf? ‘Wij staan als één man achter Israël’ zei rabbijn Evers op 29 april 2009 in een verhaal waarin hij de Palestijnen niet eens nóemt. Wie die ‘wij’ zijn, is onduidelijk. Wie oren heeft om te horen, hoort in de verte ook Een Ander Joods Geluid, maar Evers klinkt voorlopig harder. Met zulke vrienden heeft Israël nauwelijks nog vijanden nodig. Israël heeft niets aan een wij dat als één man achter die staat gaat staan. Israël zal ooit, en wie weet zelfs snel, moeten kiezen: een oorlog waarin het heel wat slagen won, maar die het uiteindelijk – met dramatische consequenties – verliezen zal, of genoegen nemen met een kleiner grondgebied, een bescheidener hoofdstad, en vrede met de buren. Volwassen kritiek en onplezierige adviezen kan het daarbij goed gebruiken. In feite laten Evers en de zijnen Israël op een geweldige manier in de steek door … geen onderscheid te maken tussen jodendom en Israël. Net als wij dus. En net als wij houdt hij daarmee een situatie in stand waarin kritiek op Israël al bij voorbaat klinkt als kritiek op het jodendom. Die twee zullen we moeten scheiden. Zonder een afrekening met spoken uit ons eigen verleden lukt dat waarschijnlijk niet – maar dat is wel een stuk nuttiger dan de vervolging van vermeende antisemieten.

Zie ook:

148 Islamitisch antisemitisme

130 Jodendom als fictie – een brug te ver

128 Onderscheid tussen joden en Israëli’s is inderdaad helaas kunstmatig

126 Antisemitisme, jodendom en het Geroofde Land

124 Turks tuig houdt ons een spiegel voor

123 Hang de Palestijnse vlag uit!

77 Ochtenden in Jenin