Bart Voorzangers weblog

top

volgend

overzicht

87 Appels, peren en de PVV als zegen voor ’t land

Een gortdroog verhaal, dus ’t is even doorbijten, maar het leidt uiteindelijk naar een blijde boodschap: dat mevrouw Helder in de Tweede Kamer zit, toont de kracht van onze democratie, en voorkomt een hoop narigheid.

zondag, 27 maart 2011

De afgelopen week pleitte PVV-Tweedekamerlid mevrouw Mr. L.M.J.S. Helder weer eens voor afschaffing van de taakstraf. Medekamerlid Jeroen Recourt (PvdA) vroeg haar hoe ze dan aankeek tegen al dat onderzoek waaruit bleek dat taakstraffen juist tot minder recidive leiden dan gevangenisstraffen.

Haar simpele antwoord had kunnen zijn dat die recidive haar niet interesseert. Haar ‘biografie’ (op de site van haar partij) begint met:

De hoogste binnenkomer op de lijst. Advocaat uit Limburg. Lilian vindt de straffen in ons land bedroevend laag, als er al een “echte” straf wordt opgelegd. Zwaardere straffen dus, zeker vanwege het feit dat de straf niet alleen bedoeld is als vergelding voor de veroordeelde, maar ook als enige vorm van genoegdoening voor het slachtoffer. Slachtoffers dienen ook meer aandacht te krijgen. {Wie weet wat hier het verschil is tussen ‘vergelding’ en ‘genoegdoening’ mag het zeggen …}

Over recidive geen woord. Maar in plaats van daarop te wijzen zei mevrouw Helder dat het door Recourt bedoelde onderzoek appels – taakgestraften – vergelijkt met peren – gevangenisgestraften – en dus niets zegt. Ik heb verbijsterd naar het youtube-filmpje van dit optreden gekeken, en vrolijk meegeknikt bij lacherige commentaren op mevrouw Helders gebrek aan benul van statistiek.

Pas achteraf bedacht ik dat het nog helemaal zo makkelijk niet is om aan te geven wat hier precies misgaat. Met statistiek heeft het allemaal weinig te maken. Natuurlijk heb je bij dit soort onderzoek statistiek nodig, maar dat uitsluitend omdat taakgestraften – evenals gevangenisgestraften – ónderling verschillen. Zou die variatie binnen groepen er niet zijn, dan kon je het hele onderzoek met één taakgestrafte en één gevangenisgestrafte doen en was een statistische analyse van de resultaten overbodig. Voor de zin of onzin van mevrouw Helders commentaar maakte dat niets uit.

Ook de opmerking dat allerlei PVV-uitspraken over allochtonen en de islam berusten op onderzoek dat methodologisch niet wezenlijk verschilt van dat over taakstraffen, zet weinig zoden aan de dijk. Het is denkbaar dat mevrouw Helder dat eveneens inziet en dus van nu af aan nooit meer iets naars over moslims zegt.

Waar zit het probleem dan wel? De ellende begint met de volkswijsheid dat ‘appels met peren vergelijken’ niet kan. Zoals de meeste van zulke in zegswijzen gestolde overtuigingen is ook deze onzin. Wie zegt dat je bij verkoudheid beter appels dan peren kunt eten, vergelijkt appels en peren zonder dat daar methodologisch ook maar iets op aan te merken is (’t zou feitelijk onwaar kunnen zijn, maar daaruit blijkt eens te meer dat het om een betekenisvolle onderzoeksvraag gaat). In feite vergelijkt élk onderzoek, in die zin, appels en peren. Mis gaat het pas als je verkouden appeleters vergelijk met snotteraars die een peer onder hun hoofdkussen leggen of dagelijks een uur geconcentreerd naar een peer staren, en dán constateert dat appels gezonder, of ongezonder, dan peren zijn. En al even mis gaat het als je conclusies probeert te trekken uit onderzoek waarin appeletende mensen met griep worden vergeleken met perenetende malariapatiënten. De vraag is dus of het door Recourt bedoelde onderzoek zich aan zulke fouten schuldig maakt. En het antwoord is: Ja zeker, dat doet het.

‘Als iemand tijdens de rechtszitting aangeeft niet {voor een taakstraf} gemotiveerd te zijn, dan zal de rechter diegene geen taakstraf opleggen’ meldt de Rijksoverheid op haar website (met een ‘diegene’ dat ik tot nu toe alleen uit de mond van bakvissen hoorde, maar dat terzijde). In die zin verschillen taakgestraften in Nederland al bij voorbaat van gevangenisgestraften, ook als ze zich aan hetzelfde delict schuldig maakten. Als de eersten significant minder recidiveren, zou dat dus heel goed uitsluitend het gevolg van een verschil in mentaliteit kunnen zijn. In Zwitserland speelt de motivatie van de verdachte geen rol bij het al dan niet toekennen van een taakstraf. Onderzoek daar suggereert dat het positieve ‘effect’ van taakstraffen in dat geval verdwijnt.

Had mevrouw Helder even wat huiswerk had gedaan, dan had ze haar mede-afgevaardigde Recourt dus zonder moeite van repliek kunnen dienen, maar dat deed ze niet. (En dat hoeft niemand te verbazen: in de NRC verwees ze met veel aplomb naar uitspraken van het Europese Mensenrechtenhof die ze niet gelezen had, en waaraan ze beweringen ontleende die er niet in stonden – zie Rechters in tijdelijke dienst; aan huiswerk heeft ze een broertje dood). In plaats daarvan bleef ze als kapotte grammofoonplaat haar appels-en-perenmantra herhalen, en maakte ze zich – geheel verdiend – belachelijk.

Had mevrouw Helder wel een zinnig antwoord gegeven, dat had Recourt natuurlijk nog altijd niet met de mond vol tanden hoeven staan. Ook op dat Zwitserse onderzoek valt gegarandeerd van alles af te dingen. Even een omweg. Geneesmiddelen mogen pas op de markt worden gebracht als in dubbelblindonderzoek is aangetoond dat ze effectief zijn. ‘Dubbelblind’ wil in dat verband zeggen dat patiënten noch hun behandelaars weten wie het onderzochte medicijn en wie het alternatief daarvoor krijgt. Vertaald naar het taakstraf-onderzoek zou dat betekenen dat de gestraften noch hun begeleiders zouden weten wie er wordt opgesloten en wie er aan het werk wordt gezet. En dat is onmogelijk. Volgens sommigen kun je het probleem beperken door véél onderzoeken naar ‘hetzelfde’ in een ‘meta-analyse’ samen te brengen, maar daarmee middel je alleen de toevállige verschillen tussen onderzoekgroepen uit. Ik vrees dat we moeten leren leven met het besef dat de resultaten van sociaalwetenschappelijk onderzoek vanwege methodologische beperkingen inherent onbetrouwbaar zijn – preciezer: aanzienlijk minder betrouwbaar dan dat van de bèta-vakken – en aangezien zulk onderzoek een forse rol speelt bij beleidskeuzes is het van groot belang dat kamerleden die methodologische haken en ogen kennen.

Terug naar mevrouw Helder. De blunder die ze beging, zat hem niet in haar diagnose, maar in de gronden die ze voor die diagnose aanvoerde. Om het zo simpel mogelijk te zeggen: de appels en peren die ze had moeten opvoeren, waren niet de taakgestraften en de gevangenisgestraften, maar de gemotiveerde taakgestraften en de ongemotiveerde gevangenisgestraften.

Pijnlijk in dit verband is natuurlijk dat al dit commentaar geheel over Helders arme hoofd heengaat. Het tekent weliswaar de kracht van onze democratie dat iemand met haar intellect in de kamer kan komen, al moet je hopen dat ze daar liefdevol opgevangen en waar nodig bijgstuurd wordt. Maar ’t is zorgwekkend dat iemand die zo slordig te werk gaat en zulke kletskoek verkoopt als jurist kon afstuderen, en een jaar of tien bij respectabele kantoren als advocaat werkzaam kon zijn. Hoeveel mensen zouden in al die jaren door haar juridische bijstand hun zaak ten onrechte verloren hebben? Waarschijnlijk richt ze in haar huidige functie heel wat minder maatschappelijke schade aan dan voorheen. En aangezien dat ook voor veel van haar fractiegenoten geldt, is die fractie een zegen voor ’t land – waarvan akte.