Bart Voorzangers weblog

top

volgend

overzicht

93 Demjanjuk veroordeeld, maar op grond van wat?

Een strafrechtszaak dient te gaan over de vraag of het aangevoerde bewijsmateriaal krachtig genoeg is om de schuld van de aangeklaagde te kunnen vaststellen. Wat voor indruk de aangeklaagde op deze of gene maakt, is irrelevant. (De tekst hieronder verscheen op 20 mei 2011 in door de redactie – vrij ingrijpend – herschreven vorm in Trouw.)

vrijdag, 20 mei 2011

Dankzij een lange reeks persoonlijke verslagen van Wim Boevink heeft de Trouw-lezer het proces-Demjanjuk op de voet kunnen volgen. De beklaagde is nu veroordeeld, en dat op zich doet, gezien veel ingezonden brieven, veel lezers goed, al treft het velen onaangenaam dat de straf niet hoger uitviel en dat de man in vrijheid zijn hoger beroep mag afwachten.

Mij slaat bij dit alles de schrik om het hart. Er is geen overtuigend bewijs dat de man ooit in Sobibor geweest is. Dat alleen al had reden voor vrijspraak moeten zijn.

Deze man is niet veroordeeld voor concrete vergrijpen – er is niet één wandaad waarvan is vastgesteld dat hij zich eraan schuldig heeft gemaakt – maar omdat hij meegewerkt zou hebben met een genocidaal systeem. Als hij al in Sobibor was – wat niet vaststaat maar wel zou kunnen – en als hij al meewerkte – wat niet vaststaat maar wel denkbaar is – was en werkte hij daar onder doodsbedreiging. Hoe wrang die vergelijking ook zijn mag, datzelfde gold voor joodse gevangenen die in concentratiekampen te werk waren gesteld. Ook zij werkten mee met een moordmachine. En ook zij deden dat in de hoop de dood te ontlopen. Gaan we hen nu ook vervolgen?

Heus, ik snap de vreugde over de veroordeling wel, en ik zou die delen als ik er zeker van was dat de man die veroordeeld is, was wie hij geacht wordt te zijn en uit vrije wil deed wat hij geacht wordt gedaan te hebben. Maar ik heb die hele reeks persoonlijk verslagen van Wim Boevink lang het knagende gevoel gehad dat we daar nu juist niet zeker van zijn. ’t Zou kunnen … maar in een rechtssysteem waarin ‘’t zou kunnen’ voldoende bewijs is, wil ik niet leven. En u ook niet.

’t Zou zomaar kunnen dat u op 3 april 2007 ongemerkt door rood reed. U weet dat zo precies niet meer? Er is iemand die u dat heeft zien doen. Nee, vragen wat hij precies zag, kunnen we niet meer; de getuige is vorig jaar helaas overleden. Wie op zulke vage gronden veroordeeld in vrede en deemoed zijn boete betaalt, mag juichen over de veroordeling van de beklaagde in het Demjanjuk-proces. Wie daarbij twijfelt, moet leren leven met een rechtssysteem dat soms schuldigen laat gaan – al weten we nooit in welke gevallen dat gebeurt – om te voorkomen dat het te vaak onschuldigen veroordeelt.

Zeker, het ging in dit proces niet om een verkeersovertreding, maar om de ergst denkbare misdaad. Maakt dat uit? Is een onterechte veroordeling wegens volkenmoord aanvaardbaarder dan een onterechte boete wegens rijden door rood?

Wim Boevink heeft ons uitgebreid verhaald hoe bot de advocaat tekeerging en ons uitgebreid laten meebeleven hoe zielig de zwijgende beklaagde zich voordeed, maar hoe voorstelbaar alle ergernis daarover ook was, daar ging het niet om. En allengs werd mijn ergernis over dit theatrale tweetal verdrongen door mijn ergernis over deze juridisch irrelevante maar suggestieve inkijkjes. Het ging om de vraag of er voldoende bewijs was om de beklaagde te veroordelen. En als we die vraag uit het oog verliezen omdat de beklaagde en zijn advocaat ons te zeer tegenstaan, is het met het recht gedaan. Hoe inleefbaar Boevinks stukjes ook waren, hij speelde ermee in op sentimenten die in een rechtszaal nu juist geen rol horen te spelen. En de vele reacties op zijn teksten lezend, denk ik dat hij er de rechtsstaat geen dienst mee bewees.