Bart Voorzangers weblog

top

volgend

overzicht

99 Malversaties in het islamitisch onderwijs 3: de te grote macht van schoolbesturen en wat daaraan te doen

Bij discussies over bestuurlijke wantoestanden in het islamitisch onderwijs lijkt het al snel te gaan om een tegenstelling tussen de islamitische gemeenschap en de rest van Nederland. Dat snijdt om twee redenen geen hout. Zelfverrijking en corruptie komt overal voor, en de schade die voortkomt uit zulke wantoestanden in het islamitisch onderwijs raakt eerst en vooral de al even islamitische ouders en hun kinderen, en het personeel van de scholen.

donderdag, 15 september 2011

Laten we eerlijk zijn. Islamitische schoolbestuurders die zichzelf onrechtmatig verrijken, doen weinig anders dan bijvoorbeeld de bestuurders in het uiterst reguliere hoger onderwijs die zichzelf exorbitante onkostenvergoedingen toekennen en die voor een belangrijke vergadering een dag of wat op kosten van de zaak naar bijvoorbeeld de Franse Rivièra trekken omdat je daar zo heerlijk ontspannen kunt overleggen. ’t Verschil is vooral dat die oerhollandse beroepsbestuurders net iets beter weten wat wel en niet kan. Islamitische amateurbestuurders weten dat niet, en gaan dus over juridische schreven waar anderen keurig binnen blijven. Het ongewone is niet zozeer hun zelfverrijking als wel hun onhandigheid. Al moeten we daarbij natuurlijk blijven bedenken dat het in alle gevallen om uitzonderingen gaat.

Los daarvan zijn de eersten die last hebben van het wanbeheer, de eersten ook die zich daar kwaad over maken, de ouders en personeelsleden van de betrokken scholen zelf. Aanvankelijk waren zij ook de eersten die bij de overheid aan de bel trokken, al is die neiging door teleurstellende ervaringen met die overheid wat bekoeld. De primaire tegenstelling is die tussen school en bestuur, niet die tussen islam en de rest van de wereld. De kern van het probleem is dat ouders en personeel niets hebben in te brengen, terwijl de besturen verzuipen in corrumperende macht.


medezeggenschap

Maar die ouders en personeelsleden hebben toch medezeggenschap? Nou, dat valt tegen, zeg ik uit eigen ervaring. Op papier lijkt die – verplichte – medezeggenschap in het onderwijs heel wat. De door ouders en personeel gekozen medezeggenschapsraad (verder: MR) heeft weliswaar het recht geïnformeerd te worden, het recht advies te geven, en op een aantal terreinen zelfs een ‘instemmingsrecht’, maar het probleem is dat hij nauwelijks mogelijkheden heeft die rechten af te dwingen. De MR kán naar een geschillencommissie stappen, en de besluiten van zo’n commissie zijn ‘bindend’. Maar geschillencommissies worden, in elk geval in het bijzonder onderwijs, samengesteld en onderhouden door … organisaties van schoolbesturen. Dat maakt de kans dat ze het bestuur in het ongelijk zullen stellen er niet groter op. Bovendien gaan veel geschillen over beleid – kopen we een wipkip voor de kleintjes of besteden we dat geld aan een educatief uitje voor groep 8? stellen we een gymdocent aan, of geven we het neefje van de bestuursvoorzitter een aanstelling als reservegodsdienstleraar? – en geschillencommissies hebben geen toetsingskader voor zulke vragen. Daar doen ze dus liever geen uitspraken over. Het praktische gevolg is dat een bestuur dat zich aan de – procedurele – regels voor de medezeggenschap houdt, vrijwel altijd gelijk krijgt. Weliswaar kunnen MR’en in bepaalde gevallen nog naar de rechter, maar dat kost geld, en voor geld zijn ze afhankelijk van het bestuur waarmee ze ruzie hebben. Dat werkt dus niet echt.

En dan zwijg ik nog over besturen die zelf hun MR’en samenstellen, die dealtjes sluiten met individuele MR-leden, of die individuele MR-leden onder druk zetten, wat vooral met personeelsleden erg makkelijk kan. Een MR-lid mag niet ontslagen worden vanwege zijn of haar optreden als MR-lid; nou, dan verzinnen besturen wel een andere reden. In feite zijn personeelsleden van de MR vogelvrij.

De wettelijk verplichte medezeggenschap werkt in feite alleen op scholen waar bestuur en directie zonder die verplichting ook al met ouders en personeel zouden overleggen, gewoon omdat ze de expertise van anderen erkennen en waarderen. Overal elders – ook in niet-islamitisch onderwijs – is het een wassen neus.


organisatievorm

Veel christelijke, en andere bijzondere scholen gaan uit van een vereniging. Het bestuur van zo’n vereniging is verantwoording schuldig aan de leden, en die leden kunnen het de laan uit sturen. Zo’n vereniging is niet verplicht. Islamitische scholen worden doorgaans opgezet door een stichting, en dat is een uiterst ondemocratische bestuursvorm. Voor het beheren van een fondsje tot behoud van de Oudbeierse wilgenknottersklomp is dat misschien zo’n ramp niet, maar in het onderwijs is het dat wel.

Personeelsleden kunnen natuurlijk een beroep doen op hun vakbond, maar islamitische schoolbestuurders moedigen het vakbondslidmaatschap niet aan, om ’t zacht te zeggen. Bovendien maken vakbonden deel uit van een hecht verweven, van alles en nog wat overstijgende overlegstructuur waarin overheden, werkgevers en bonden allerlei belangen in een subtiel evenwicht houden. En dat betekent dat de wensen van een klein clubje personeelsleden van een islamitische school eerst worden afgewogen tegen allerlei kwesties van grotere schaal en langere termijn, en eerst worden afgestemd met allerlei hogere-orde-overlegpartners, voor een bond besluit er al dan niet voor in de bres te springen. Nederland is bestuurlijk een uiterst stroperig land. In het algemeen en op den duur is dat heel handig, maar in individuele gevallen van acute nood kan dat wel eens nadelig uitpakken. ’t valt niet mee dat aan nieuwe Nederlanders uit te leggen, en al zeker niet als ze in een heftig conflict verwikkeld zijn en even niet zoveel aandacht kunnen opbrengen voor veel grotere verbanden.

Het resultaat van dit alles is dat islamitische schoolbesturen als kleine koninkjes hun rijkjes bestieren. Ze hebben daar de absolute macht en ’t is in feite een wonder dat ze nog niet allemaal en absoluut gecorrumpeerd zijn geraakt. Waar het wel misgaat zijn de eerste slachtoffers van deze onverkwikkelijke verhouding de leerlingen, hun ouders en hun docenten. Daar zou het beleid wel eens wat meer rekening mee kunnen houden. De schaarse gevallen waarin de overheid daadwerkelijk ingreep maakten die slachtoffers alleen maar kopschuw. Zij kregen de rekening gepresenteerd voor het wangedrag van hun bestuur. Zij moeten het geld ‘terug’ betalen dat hen vanwege dat wangedrag nooit bereikte. Zij zagen – bijvoorbeeld in het geval van de Amsterdamse SIBA – hoe het ministerie de scholen liquideerde die zij nu juist met hulp van dat ministerie tegen incapabele bestuurders hadden willen beschermen. En dat gebeurde koud een jaar nadat de directeur Primair Onderwijs van datzelfde ministerie diezelfde ouders en personeelsleden persoonlijk en met de hand op het hart het voortbestaan van hun scholen onder een nieuw bestuur gegarandeerd had. Ouders en personeel van islamitische scholen hebben dus enige reden om het ministerie te wantrouwen. Plechtige beloften uit Den Haag blijken evenveel waard als plechtige beloften uit de eerste de beste corrupte derdewereldhoofdstad.


Als we problemen als die in het islamitisch onderwijs willen voorkomen zullen we ouders en personeel meer macht moeten geven. En dat kan. Een volwaardige medezeggenschap, met een onafhankelijke geschillencommissie en een eigen direct uit Den Haag aan MR’en gegireerd budget waaruit in elk geval een ruime rechtsbijstandsverzekering kan worden betaald, zou al heel wat uitmaken. En een verbod op de ondemocratische stichtingsvorm zou beslist helpen.