Bart Voorzangers weblog

top

volgend

overzicht

100 Slavernij en de erfelijkheid van van alles en nog wat …

De recente tv-serie over De Slavernij richtte onze aandacht weer eens op een triest stukje vaderlandse geschiedenis. We zijn graag trots op de visionaire waaghalzen die ons land tot een centrum van handel, kunst, en wetenschap maakten, maar de schaduwkanten van hun optreden vergeten we liever. Een voorvader die in slaven handelde is niet echt iets om mee te pronken. Maar hoe zinnig zijn die trots en zijn tegenhanger nu eigenlijk?

dinsdag, 25 oktober 2011

Slavernij is van alle tijden, is een van de stellingen van de serie. De vraag is wel wat je onder slavernij moet verstaan om het tot iets algemeens te maken zonder dat het ophoudt echt heel erg te zijn. Er is per slot een glijdende schaal van de werkgever die in elk geval onder werktijd een hoop te zeggen heeft over het doen en laten van zijn werknemers, naar de plantage-eigenaar die áltijd álles te zeggen had over als zijn eigendom erkende slaven. Het eerste uiterste is een vrijwel universeel menselijk verschijnsel waarmee zeer velen heel wel kunnen leven, het laatste is even onverdraaglijk als zeldzaam. Ik denk niet dat de programmamakers op relativering uit waren, maar misschien hadden ze zich toch beter kunnen beperken tot een serie over de koloniale plantageslavernij. Naar andere narigheid kijken we dan een andere keer wel weer.

Het is altijd goed de geschiedenis te kennen. Alles wat we om ons heen zien is er het product van, en alles wat we om ons heen zien wint in een historische context aan begrijpelijkheid. Maar als we de geschiedenis proberen te gebruiken voor morele lessen, gaat het vaak mis. Wat weten we van de slavernij, en wat kunnen we daarvan leren?

- Duidelijk is dat Nederlandse kooplui en plantagebazen in de West enkele eeuwen lang allerafgrijselijkst zijn omgegaan met tot slaaf gemaakte Afrikanen. Zowel de daders als de slachtoffers van die omgang zijn sinds lang dood. Maar je zou kunnen vinden dat de nakomelingen van de daders aangesproken moeten kunnen worden op het gedrag, of minstens de gevolgen van het gedrag, van hun voorouders. En je zou kunnen vinden dat de nakomelingen van de slachtoffers aanspraak kunnen maken op excuses en op enige vorm van herstel of compensatie voor het hun voorouders aangedane leed. Vooral in de laatste aflevering van De Slavernij klonken pleidooien in die richting. Snijden die hout?

- Duidelijk is ook dat een (beperkt) deel van de Nederlandse welvaart berust op afgrijselijke praktijken, en dus allesbehalve ‘eerlijk’ verdiend is. Je zou kunnen vinden dat die welvaart de slachtoffers van die praktijken evenzeer of zelfs meer toekomt dan degenen die hem zich gewapenderhand toe-eigenden. En je zou kunnen vinden dat hetzelfde geldt voor de erfgenamen van beide groepen. Hoe zinnig is dat?

Steeds gaat het om opvattingen over erfelijkheid: erfelijkheid van bezit, erfelijkheid van schuld en verantwoordelijkheid, erfelijkheid van leed en slachtofferschap. En laat ik eerlijk zijn: van ons denken daarover heb ik nooit veel begrepen.


Erfelijkheid van bezit

Als mijn vader dankzij hard werken of handig handelen (wat bepaald níet hetzelfde is!) als rijk man overlijdt, heb ik volgens de wet na aftrek van wat belastingen recht op zijn vermogen, en u niet. Waarom dat zo is, ontgaat me. Allereerst is het de vraag of hij zijn rijkdom aan zichzelf te danken heeft. Vaardige en hardwerkende lieden heb je overal, maar of ze rijk worden heeft alles te maken met biologische, geologische, geografische, klimatologische, culturele en economische omstandigheden. Voor verreweg de meeste daarvan is niemand verantwoordelijk, terwijl de culturele en economische omstandigheden hoogstens zijn toe te schrijven aan gemeenschappen als geheel. Dus als er íemand moreel aanspraak kan maken op nagelaten rijkdom dan is het de gemeenschap, niet de toevallige nakomeling van de erflater. Daarnaast zijn er natuurlijk individuele verschillen – in intelligentie en inzicht, maar natuurlijk ook in schraapzucht en gewetenloosheid – die tot verschillen in rijkdom leiden, maar hoe die het recht op de opbrengst dan ineens wel bij de nakomelingen doen belanden zie ik niet. Als bezit diefstal is – en daar is iets voor te zeggen – is erven dat evenzeer …


Erfelijkheid van eer en blaam

Mensen zijn soms trots op de prestaties van hun voorouders. Ik kan dat goed meevoelen – ik voel mij groeien als ik lees of hoor over iets moois of groots dat een grootvader of betovergrootmoeder presteerde – maar begríjpen doe ik het niet. Waarom zou je niet even trots zijn op de prestaties van overledenen van wie je niet afstamt? Je droeg per slot aan beide even weinig bij. En terzijde: Nederlanders die trots zijn op ‘ons’, pak weg, VOC-verleden, zíjn maar al te vaak trots op de prestaties van mensen van wie ze niet afstammen. In feite is die trots pure dwaasheid – uiterst menselijke dwaasheid weliswaar, maar dwaasheid niettemin.

De irrationaliteit van dat erfelijkheidsdenken zien we makkelijker waar het gaat om ónverdienstelijke voorouders. De kinderen van NSB’ers en van mensen die zich in de oorlog misdroegen (ten overvloede: dat zijn twee verschillende groepen, al is er enige overlap) worstelen soms een leven lang met die ‘smet’. De meeste mensen zijn graag bereid ze te vertellen dat daar geen enkele reden voor is: zíj hebben immers niets op hun geweten. Maar als blaam niet erfelijk is, waarom zou verdienste dat dan wel zijn?


Biologische erfelijkheid

Zelfs met erfelijkheid in biologische zin gaan we behoorlijk irrationeel om, zo illustreerde de slavernij-serie treffend. Presentator Roué Verveer ontdekte dankzij DNA-onderzoek dat de verre voorvader met wie zijn Y-chromosoom naar Amerika reisde, afkomstig was uit Ghana, en zeer waarschijnlijk tot de Ashanti behoorde. Verveer ging ‘terug’, verbond zich opnieuw met zijn ‘roots’, en wandelde als glunderende Ashanti-man door de rest van de afleveringen. En weer kan ik dat best meevoelen. Mij zegt ’t ook van alles te weten waar mijn Y-chromosoom vandaan komt. En het gevoel dat zowel hij als ik daarbij blijken te hebben laat zich het beste als ‘trots’ omschrijven, maar vraag me niet om die te rechtvaardigen, of zelfs maar uit te leggen. ’t Is en blijft dwaas: Verveer weet nu dat 1 à 2 promille van zijn genen uit Ghana kwam, maar over de herkomst van de resterende 100 procent – ik rond maar even af – van zijn genetisch materiaal zegt dat niets. Gegeven het brute gedrag van slavenbazen dankt Verveer waarschijnlijk meer genen aan Goes dan aan Ghana, en had hij beter Luctor et Emergo dan een in zijn beleving mooi en diepzinnig Ashanti-symbool op zijn arm kunnen laten tatoeëren.


Erfelijkheid van leed

Het idee dat leed erfelijk is, zit er diep in. Slachtoffers komen tegenwoordig in ‘generaties’. Zo kennen we de tweede-generatie- en zo hier en daar ook derde- en wie weet zelf vierde-generatie-oorlogsslachtoffers. En bij nakomelingen van zwarte slaven zie je soms ook de neiging zich als zoveelste-generatie-slavernijgetroffene te presenteren. Helemaal onzin is dat niet. Het gaat in alle gevallen om mensen die worstelen met emotionele of economische problemen die in elk geval deels historisch te verklaren zijn. In die zin zijn we allemaal slachtoffer van – uiteindelijk – de wereldgeschiedenis.

De vraag is wat historische achtergronden bijdragen aan onze kijk op de problemen die iemand heeft. Mij dunkt dat problemen er zijn om aangepakt te worden – en waar dat niet lukt, om ermee te leren leven. Of de geschiedenis relevant is voor dat aanpakken zal van geval tot geval verschillen. Wie worstelt met iets waar een klassieke psychoanalyse uitkomst brengt (even aangenomen dat er zulke gevallen zijn) zal vast niet om die geschiedenis heen kunnen, maar wie als gevolg van historisch verklaarbare economische omstandigheden scholing misliep, is toch eerder geholpen met bijscholing dan met historisch inzicht en een erkenning van slachtofferschap. En er is in elk geval één vraag waarvoor die oorlogs-, slavernij-, of wat ook maar voor geschiedenis volkomen irrelevant is: de vraag hoe erg het is dat iemand dit of dat probleem heeft. In een wereld die deugt worden mensen met hun problemen geholpen, en wel nadrukkelijker en uitgebreider naarmate die problemen groter zijn. Maar of die problemen zijn toe te schrijven aan een indrukwekkend historisch gegeven of aan niet meer dan een ongelukkige samenloop van triviale omstandigheden, doet volstrekt niet terzake.

En wat – dit terzijde – voor individuen geldt, geldt voor groepen evenzeer. De staat Israël heeft nog altijd in te veel ogen recht op onze steun vanwege de angst en ellende waarin Europese joden eeuwenlang hebben moeten leven. Die ellende is reëel, en een schandvlek op … precies, op de geschiedenis. Maar voor een oplossing van het Midden-Oostenvraagstuk is hij volkomen irrelevant.

Ons slavernijverleden krijgt jaarlijks aandacht. ‘In Suriname wordt de afschaffing van de slavernij gevierd, in Nederland wordt hij herdacht’ heette het in de serie. Dat suggereert dat die afschaffing voor Suriname iets anders betekent dan voor Nederland, en dat is mal. (Ik geef toe: ik ben wat ongeduldig: ik vind het al beschamend dat er discussie kan ontstaan over de aanwezigheid van Duitsers bij herdenkingen van de Tweede Wereldoorlog.) Maar als een bijeenkomst in Amsterdam ter gelegenheid van het einde van de slavernij nu zo’n anderhalve eeuw geleden, geen feest wil worden, verwordt een gedenkteken voor een gemeenschappelijke geschiedenis tot een monument van wrok. In dat geval kunnen we het toch echt maar beter afbreken.

Ten overvloede: ik pleit niet voor afbraak van monumenten, ik pleit voor afbraak van onze bezopen ideeën over erfelijkheid en erfzonden.