Bart Voorzangers weblog

top

volgend

overzicht

101 Over moraal valt niet te twisten

Morele redeneringen – van die verhalen waaruit volgt dat dit of dat goed, of juist heel slecht is – zijn altijd drogredenen. Da’s vervelend als je meent dat er een morele waarheid is die je al redenerend probeert in kaart te brengen. Maar als je je eenmaal van die waan bevrijdt, opent zich een wereld aan mogelijkheden. Je kunt je morele uitgangspunten gebruiken voor het enige dat je er echt mee kunt: er zelf naar leven, in plaats van ze anderen op te dringen. Je kunt de tijd die je niet langer met dat laatste verspilt gebruiken om eens wat kennis te maken met de mensen om je heen – altijd verrassend! En het besef dat je diep gevoelde morele overtuiging niet meer is dan jóuw toevallige overtuiging nú geeft je de ruimte anderen meer ruimte te gunnen voor de hunne.

woensdag, 2 november 2011


Over moraal valt niet te twisten

De ethicus Kuitert zei het zo prachtig: achter elke moreel principe staat een komma, niet een punt – en impliciet daarmee: achter die komma komt nog van alles. We schrijven ‘Gij zult niet doden punt’ of ‘Menselijk leven is heilig punt’ maar in feite bedoelen wij ‘Gij zult niet doden, puntje puntje puntje’ of ‘Het leven is heilig, puntje puntje puntje’, en dan zetten we op die puntjes allerlei gevallen waarin we doden wel degelijk toelaatbaar of zelfs wenselijk vinden, en waarin de heiligheid van het leven maar eens even moet wijken voor wat ons dan en daar belangrijker lijkt.

Nu vinden vrijwel alle mensen van vrijwel alle mensen dat je ze vooral in leven moet laten. We zijn het over een overweldigend aantal mogelijke gevallen van om zeep helpen eens: beter van niet! De meeste mensen zitten dus volgens de meeste mensen vóór de komma achter ‘Gij zult niet doden, …’ en de zin van zo’n principe is dat het je daaraan herinnert. Als je overweegt iemand om te brengen is de kans groot dat je daar achteraf spijt van krijgt (over rechtszaken en straf heb ik het nu niet; het gaat hier om ethische, niet om juridische vragen), dus denk vooral nog even goed na! Maar daarmee is dat principe ook echt uitgespeeld. Als je na lang wikken en wegen tot de conclusie komt dat het je niet zal spijten, zit je beoogde slachtoffer voor jou kennelijk áchter de komma, en over gevallen achter zijn komma zegt een moreel principe niets.

Morele principes zeggen ook niets over de vraag welke gevallen achter hun komma zitten. Dat moeten we elk voor zich dus zelf uitzoeken. En helaas blijken we daar soms verschillend over te denken. Bij het invullen van de puntjes achter de komma staan pacifisten tegenover militaristen, en de voorstanders van abortus, euthanasie, doodstraf of eerwraak tegenover de al even besliste tegenstanders daarvan. En het morele principe dat ze zo graag als argument zouden gebruiken, laat ze juist dan in de steek.

Kortom, als ’t erop aankomt, heb je aan morele principes niets. Je kunt er plechtig maar enigszins misleidend mee samenvatten waar je het over eens bent. Je kunt er de altijd nuttige oproep ‘bezint eer ge begint’ mee onderstrepen. Maar je lost er geen enkel meningsverschil mee op.


Een morele werkelijkheid?

Ethici suggereren soms dat zij verstand hebben van wat moreel oorbaar is op dezelfde manier waarop wetenschappers verstand hebben van wat feitelijk het geval is. Dat suggereert dat je naast (boven?) de wereld van de feiten een wereld van de normen hebt, dat beide los van ons bestaan, en dat je beide op een vergelijkbare manier kunt bestuderen. Ik heb wat moeite met de morele helft van dat idee.

Een wetenschappelijk onderzoeker die na veel kijken, lezen en nadenken tot de overtuiging komt dat – ik noem maar wat – oecosystemen stabieler worden naarmate ze uit meer soorten bestaan, zal vervolgens, als hij zijn vak verstaat, een reeks soortenrijke en soortenarme oecosystemen een tijd lang volgen om te zien of de soortenrijke inderdaad beter bestand zijn tegen verstoringen. En hij zal in dit geval constateren dat dat níet het geval is. Zijn theorie over stabiliteit klopt niet. Er is een buitenwereld van feiten waaraan we wetenschappelijke theorieën kunnen toetsen, een buitenwereld waar we uiteindelijk toch echt tegen oplopen. Een daarmee vergelijkbare normatieve buitenwereld waarin de ethicus zíjn theorieën kan toetsen, ben ik nergens tegengekomen.

Hier valt natuurlijk iets tegen in te brengen. Zo kun je met recht betogen dat als feitelijk gepresenteerde wetenschappelijke uitspraken altijd impliciet ook weer theorie bevatten. Dat geldt al voor zo’n uitspraak over soortenarme of -rijke oecosystemen. Het biologische soortbegrip is een theoretische constructie, en wel een constructie waarop veel valt af te dingen.

En zo ook zou je kunnen betogen dat ík nog nooit tegen een morele bovenwereld ben aangelopen omdat ik nooit gekeken heb op de plek waar je die zou moeten zoeken, omdat ik me expres blind houd voor het hogere.

Maar echt overtuigen doen die tegenwerpingen me niet. Hoe je ‘soort’ ook definieert, er is een vrij wezenlijk verschil tussen tropische regenwouden en subarctische toendra’s dat met het begrippenpaar soortenrijk/soortenarm heel aardig gekarakteriseerd is, en álles wijst erop dat die toendra’s heel lang mee kunnen terwijl die oerwouden in elk geval lokaal soms snel verstoord raken. En dat is verrassend voor iedereen die dacht dat de laatste juist fantastisch stabiel waren terwijl de eerste vanwege hun gebrek aan diversiteit van crisis naar crisis zouden struikelen. Onze beschrijvingen van de materiële werkelijkheid mogen theoretisch geladen zijn, zonder die werkelijkheid zelf zouden we nooit op die manier verrast worden.

En dat ik me expres blind houd, geloof ik evenmin. Ik heb lang in veel hogers geloofd. Dat geloof is niet verdwenen doordat ik er verbitterd de ogen voor sloot. Ik heb God er niet uitgegooid. Hij is, als wel meer dat mijn ouders mij met de beste bedoelingen meegaven, gewoon langzaam verbleekt en uiteindelijk in het niets verdwenen, ongeveer zoals de Cheshire Cat van Alice in Wonderland. En aangezien ik prettig vrijzinnig, met een liefhebbende God ben opgegroeid, verdween ook bij Hem de glimlach als laatste. De plek waar ik me eerder een hogere wereld vol wijsheid en waarden projecteerde, blijkt gezichtsbedrog te zijn geweest.

Dat ethici, hoe impliciet ook, lijken te denken dat er toch op de een of andere manier, in de een of andere zin, wel iets is dat voor zo’n morele buitenwereld kan doorgaan – ‘deugden’ en ‘het goede leven’ waren ooit even heel populair in die kringen; geen idee wat er nu in de mode is – lijkt me een overblijfsel uit de tijd dat iedereen zo’n wereld reëel achtte – de tijd dat iedereen uitging van een Opperwezen dat een moreel universum schiep.

De Verlichting heet de westerse ethiek geseculariseerd te hebben, maar bij dat seculariseren ging het een en ander mis. Het lijkt er sterk op dat ze de morele bovenwereld te vroeg van z’n etiket hebben ontdaan zodat niemand er meer over praten kon, en niemand meer kon zeggen dat ’t ding niet paste in ’t nieuwe interieur. Het is gewoon blijven staan en omdat het zo’n comfortabel meubel is, zijn ze er gewoon op blijven zitten. Onze verlichte, humanistische, seculiere, westerse ethiek is in wezen een oer-christelijke ethiek, met een absoluut fundament dat impliciet blijft omdat er geen woord meer voor is.


Morele ontwikkeling als ‘random walk’

Het idee dat er zoiets bestaat als een juiste morele opvatting over zo ongeveer alles wordt gek genoeg versterkt door de oer-menselijke ervaring dat je morele oordelen in de loop van je leven veranderen. Vaak gaat die verandering een kant op die zich, in elk geval achteraf, redelijk coherent laat omschrijven: je wordt voorzichtiger en behoudender bijvoorbeeld. En die consistentie kan je het gevoel geven dat je een ‘ontwikkeling’ doormaakt, een ‘rijpingsproces’, en dat je oordelen daarom hoger, dieper, beter gefundeerd worden. Wie daarbij ook nog zo nu en dan een boek vol diepzinnige morele bespiegelingen leest, zal allicht denken dat de daaruit opgedane ‘kennis’ die ontwikkeling stuurde. Je oordeel verdiepte zich dankzij onderweg opgedane inzichten.

Dat dit alles een illusie is, blijkt uit het simpele feit dat anderen, die even bewust in het leven staan, even diep nadenken, en even dikke boeken lezen, juist een tegengestelde ‘ontwikkeling’ doormaken. Om over mensen bij wie de oordeelsveranderingen minder consistent één bepaalde kant op gaan maar te zwijgen. Vergelijk het met de ‘ontwikkeling’ van je muzikale smaak. Velen zien daarin een duidelijk patroon en menen daarom dat hun muzikale oordeel geleidelijk beter wordt – een gevoel dat ook hier versterkt kan worden door het gegeven dat ze inmiddels een hoop wéten van muziek. Het grappige is echter dat allerlei mensen allerlei vormen van muziek een poos erg mooi vinden, daarna een poos misschien toch wat gemakkelijk en oppervlakkig, om er nog weer later opeens toch weer allerlei diepgang in te horen, die als je geduld hebt vervolgens ook weer vervliegt. En waar de een in uiterste muzikale rijping niets mooiers meer erkent dan de cellosonates van Johann Sebastian Bach, komt de ander al even doorontwikkeld tot de conclusie dat er niets boven het witte dubbelalbum van de Beatles gaat. Onze smaakontwikkeling volgt in wezen een ‘random walk’, een dronkemansgang, door het muzikale domein. En naar mijn idee geldt precies datzelfde voor het culinaire, literaire, poëtische, … en morele domein.

’t Zal u intussen duidelijk zijn dat ik een moreel relativist ben. Een niet ongebruikelijke reactie op zo’n bekentenis is iets als ‘O, dus u vindt … en dan volgt er iets vreselijks als verminkte vrouwen, ritueel vermoorde kinderen of moderne vormen van slavernij … wel prima?’ De intonatie heeft soms nog iets vragends, maar inhoudelijk is ’t een vaststelling die elk verder gesprek overbodig maakt. De vraag was geheel retorisch bedoeld. Laat ik hem desalniettemin beantwoorden: Nee, ik vind dat niet prima. Ik heb vrij uitgesproken morele overtuigingen, waaronder een hartgrondig afkeer van verminking, onderdrukking en mishandeling.

Wat mij tot moreel relativist maakt, is dat ik mijn morele oordelen niet beter acht dan die van anderen – niet omdat ik niet geheel achter mijn eigen oordelen sta, maar gewoon omdat er geen maatstaven zijn voor een dergelijke vergelijking. Er is geen morele werkelijkheid waaraan de juistheid van een oordeel getoetst kan worden. ‘Onze moraal is beter dan de hunne’ is geen onzin omdat het onwaar is, maar omdat het niets betekent. Het is of een tautologie – ‘Onze moraal komt, anders dan de hunne, geheel overeen met onze moraal’ – of een testimonium paupertatis – ‘Onze moraal is beter dan de hunne maar vraag me niet hoe ik dat heb vastgesteld.’ Het enige dat je met een moraal kunt doen is er zelf naar handelen; elk ander gebruik is oneigenlijk gebruik.


Hoe verder?

Wat kunnen we hiermee? Nou, allereerst zouden we bereid moeten zijn om toe te geven dat onze morele zekerheden schijnzekerheden zijn. Het zijn ónze oordelen nú, die verschillen van onze oordelen gister, onze oordeel morgen, en de oordelen van al die andere mensen die heus ook wel eens iets meegemaakt en ergens over nagedacht hebben. Maar bedenk daarbij wel wat ik eerder zei over de komma van Kuitert: als we praten over onze morele zekerheden, dan hebben we het vooral over divergerende overtuigingen achter de komma. Dat je mensen in het algemeen in leven hoort te laten spreekt voor iedereen zo vanzelf dat vrijwel niemand met pompeuze stemverheffing zal verkondigen na lang peinzen tot die overtuiging te zijn gekomen. Die nadruk reserveren we voor onze mening over oorlog of euthanasie en nog wat andere details waarover mensen verschillend denken. Maar dat vrijwel iedereen het voor de komma over vrijwel alles vrijwel altijd eens is, is zowel voor absolutisten als voor relativisten een geruststelling die het verdient van tijd tot tijd expliciet te worden gemaakt.

Ten tweede zouden we bereid moeten zijn om toe te geven dat wat we presenteren als argumenten in feite helemaal geen argumenten zijn. Het zijn verhalen die ons sterken in onze overtuiging – een psychologisch effect dat ze alleen hebben op wie de ‘conclusie’ onderschrijft. Op wie er anders over denkt, maakt zo’n verhaal vaak weinig indruk, en als het dat al eens wél doet, komt dat doordat de luisteraar even niet goed heeft opgelet. Als een morele verhandeling al in een of andere zin des woord ‘logisch’ is, komt dat doordat de conclusie deel uitmaakte van de premissen. Een consistent betoog voor de wenselijkheid van een boerkaverbod leidt de wenselijkheid van een boerkaverbod af uit … de wenselijkheid van een boerkaverbod. (Terzijde: consistente betogen zijn uiterst zeldzaam als ’t om boerkaverboden gaat. ’t Is wat dat betreft een ongelukkig voorbeeld.)

Ten derde dienen we onder ogen te zien dat discussies over morele kwesties waarover we het oneens zijn, zinloos zijn. Morele kwesties zijn kwesties van smaak, en over smaak valt niet te twisten. Het enig haalbare – en naar mijn idee hóógst wenselijke – is een gesprek waarbij we proberen ons zozeer in de ander te verplaatsen dat we ons voortaan wel kunnen voorstellen dat je het door hen afgewezen idee onderschrijft zónder dat je daarmee een onmens wordt – vergelijk het met leren accepteren dat iemand die geheel bij zinnen en een volmaakt acceptabel medemens is, toch van popmuziek, moderne poëzie of postelein kan houden. Heus, ik ken ze … Zulke gesprekken worden helaas te weinig gevoerd.

Ten vierde moeten we beseffen dat al die prachtige ‘universele’ en andere mensenrechten, in feite keizerskleding zijn: flinterdunne woordspelen waar we ons alleen gemeenschappelijk achter kunnen scharen omdat ze ons alle ruimte geven er onze eigen invulling aan te geven. Maar zodra we dat openlijk en expliciet doen, zijn de rapen gaar. Uw mensenrechten zijn de mijne niet, en vice versa. Dat heb je, met morele principes. O zeker, ’t is denkbaar dat zoiets als de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens een rol heeft gespeeld in allerlei wereldpolitieke ontwikkelingen – ‘denkbaar’ omdat je nooit zult weten wat er gebeurd zou zijn als ’t ding niet was opgesteld. Maar die rol was hoogstens een retorische. Zonder dat stuk hadden politici ándere retorische middelen moeten zoeken. Onze wereld intussen kent nog minstens evenveel oorlog, geweld en ongelijkheid als vóór 1948. Als intentieverklaring ten aanzien van ons eigen handelen zijn zulke verklaringen prachtig – je kunt jezelf niet secuur genoeg de maat nemen – maar sla er anderen niet mee om de oren. Je slaat er hoogstens je principes mee stuk.


Besluit

Als je de wereld leefbaarder wilt maken, en wie wil dat niet, dan kun je maar twee ding doen: zelf handelen in overeenstemming met je eigen morele principes, en anderen alle ruimte gunnen te handelen volgens de hunne, in de hoop dat ze jou, door jouw voorbeeld geïnspireerd, diezelfde ruimte zullen gunnen, en wie weet zelfs vanwege datzelfde voorbeeld zullen gaan denken dat jouw moraal misschien toch zo gek niet is. Mocht dat eerste – handelen in overeenstemming met je eigen expliciete moraal – als een open deur klinken, bedenk dan dat westerse liberalen die partijen voor ‘de vrijheid’ of voor ‘vrijheid en democratie’ oprichten, er meer en meer toe neigen juist uiterst ónliberale maatregelen te propageren om die vrijheid te verdedigen – een paradox waarmee beginselen die mij zeer lief zijn vrij effectief de nek wordt omgedraaid. Als PVV en VVD hun naam waarmaakten zou ik er direct lid van worden.

En wat die hoop op wederkerigheid en wie weet zelfs enige assimilatie betreft, garanties daarop zijn er niet, maar hoop doet leven … Het is in die hoop dat ik mijn lezers inmiddels zo’n honderd stukjes lang heb opgeroepen niet te zeuren over hoofddoekjes, weigerambtenaren, naar sekse gescheiden zwemuurtjes, scholen waar ze kinderen andere waarden opdringen dan de jouwe, en al die andere zaken waar we alleen maar last van hebben omdat zulk last hebben een makkelijke manier is om je te laten gelden. Maar als ik u niet overtuigde, weet u nu hoe dat komt: over moraal valt niet te twisten.