Bart Voorzangers weblog

top

volgend

overzicht

102 Brandbommen in Parijs

donderdag, 3 november 2011

Dat een tijdschrift met brandbommen wordt bestookt gaat alle perken te buiten. Wie zich tot zo’n aanslag verlaagt, kan niet zwaar genoeg gestraft worden. En de vraag waarom die bommen gegooid zijn, is niet relevant. Door hem te stellen suggereer je dat er overwegenswaardige redenen zijn om kranten met bommen te bestoken, en dat idee kun je niet stevig genoeg de kop in drukken.

Wat mij betreft hebben de plegers van de aanslag in Parijs met die actie elk recht verspeeld om zich uit te spreken over wat hen aan het plan voor een op handen zijnde uitgave van het betrokken blad niet aanstaat. Mond houden, in de hoek, God danken dat je krankzinnige actie geen menselijke slachtoffers maakte, en je diep, diep schamen …!

Tot zover de open deuren (althans dat hoop ik).
Maar daarmee is het verhaal niet af.

Ik heb alle respect voor de nar die zijn grappen richt op de koning, de nar die de macht een spiegel voor houdt, de nar die stem geeft aan wie bang is zelf te spreken, de nar die voor anderen zijn nek uitsteekt. Zo’n nar moet iets kunnen: inzien waar hem de schoen wringt, en kritiek leveren met een grap die het gezag tot bezinning brengt – dat vergt intelligentie en inlevingsvermogen. Een goed satirisch tijdschrift is zo’n nar.

Maar er zijn ook narren die het zich makkelijk maken, die hun pijlen richten op de machtelozen, op wie toch al in de grond wordt getrapt. Zo’n nar hoeft niets te kunnen. Zelfs de botste en grofste grap kan hij ongestraft maken, en er hoeft niemand aan het denken te worden gezet. Zo’n nar versterkt bestaand onrecht in plaats van het te bestrijden. Zo’n nar voedt vooroordelen en zet aan tot haat. Zelfs zo’n nar verdient geen brandbommen, maar hij verdient het evenmin te worden genoemd of gelezen.

Laten we het dus hebben over de redactielokalen van een in Parijs gevestigd weekblad die met brandbommen werden bestookt, over de redactieleden van dat blad die daardoor geschaad en in gevaar gebracht zijn, over wat een godsgruwelijk schandaal dat is en hoe belangrijk het is dat de schuldigen gevonden en gestraft worden.

En laten we het niet hebben over dat blad zelf, of over de vrijheid van meningsuiting die er zo hier en daar met de haren wordt bijgesleept, want dat blad verdient die aandacht niet en die vrijheid is niet in ’t geding. Zie verder Plaatjes, poetsvrouwen en de profeet.