Bart Voorzangers weblog

top

volgend

overzicht

103 Weg met het burgerlijk huwelijk

Het burgerlijk ‘huwelijk’ is een onding, een onvolledig geseculariseerd kerkelijk instituut, waarmee de staat zich mengt in kerkelijke aangelegenheden, van de weeromstuit kerkelijke normen inbrengt in het burgerlijk recht, kerkelijke inmenging in staatszaken uitlokt, en hele reeksen burgers tekort doet omdat hen geheel ten onrechte voordelen worden onthouden waar stellen die wel mogen ‘trouwen’ wel aanspraak op kunnen maken.

maandag, 28 november 2011

Mensen zijn op allerlei niveaus georganiseerd, en op elk van die niveaus regelen ze zaken waar ze belang bij hebben: gemeenten, provincies, staten, internationale organisaties, de VN, en dan sla ik vast nog wat niveaus over. O ja, het waterschap, voor zolang dat nog bestaat …

De kleinste eenheid in die reeks is het huishouden. Zo’n huishouden voorziet in tal van alledaagse en dagelijkse behoeften: voedsel, slaapgelegenheid, beschutting tegen de elementen, zorg in geval van ziekte, … Het is dan ook geen wonder dat veel mensen graag samen met anderen zo’n huishouden vormen. Vele handen maken licht werk. En het bevreemdt evenmin dat de overheid de mensen die zich aan zo’n huishouden committeren, privileges toekent in de sfeer van belastingen, pensioenvoorzieningen, verzekeringen, erfrecht, en wie weet wat nog meer. Per slot voorkomt hun commitment dat de gemeenschap opdraait voor alle zorg in geval van ziekte of invaliditeit.

Althans, oppervlakkig beschouwt lijkt het alsof de staat zo met bestendige huishoudens omgaat. Wie trouwt krijgt privileges, het huwelijk is vaak de basis van het huishouden, en … daar stokt het verhaal. Tal van huishoudens moeten het zonder huwelijk stellen, en daarmee zonder de daaraan verbonden voorrechten en zekerheden. Broers en zussen, neven, nichten of anderszins verwanten, vrienden en vriendinnen, broeders en zusters in den Here of iets anders moois, die met twee of meer een huishouden vormen, elkaars bed opmaken, elkaars boodschappen doen, elkaars eten koken, elkaar verzorgen bij ziekte of invaliditeit – kortom die elkaar van de straat houden, en samen de kans beperken dat ze bij de overheid moeten aankloppen voor zorg en steun – en die voordeel zouden kunnen hebben bij de rechten die het huwelijk biedt, komen niet voor een burgerlijk huwelijk in aanmerking, en da’s raar.

Ooit was het huwelijk het domein van de kerk. Die kerk ging uit van een God die een Plan met zijn schepping had. Dat plan vereiste dat mensen zich voortplantten, en daarom schiep de God van de kerk mannen en vrouwen die samen kinderen konden krijgen en die elkaar in allerlei opzichten fraai complementeerden. En hij schiep een geheel van anatomische emotionele en gedragsmatige zaken – de seksualiteit – die dat kinderen krijgen mogelijk maakte. Alleen, die seksualiteit had de neiging uit de hand te lopen, en moest dus wel met zorg beteugeld worden. Vandaar, heel in ’t kort, het idee dat een man en een vrouw samen een blijvend, door de eeuwige trouw van het huwelijk verbonden paar zouden vormen, en dat seksualiteit binnen, en alleen binnen, dat huwelijk zijn plaats had. In een ideale wereld zouden alle volwassenen deel uitmaken van zo’n echtpaar, en zou elk huishouden daarop gebaseerd zijn. Ik weet ’t: er zijn kerken die een celibatair bestaan ten dienste van de gemeenschap als geheel nóg idealer achten, maar ik schrijf een blog, geen boek. ’t Is hoe dan ook een prachtig idee en ’t verbaast me geen moment dat het ook nu nog veel aanhang heeft. Dat de pracht van een idee waarheid noch zinnigheid garandeert, weet u ook wel.

En toen kwam de Franse Revolutie, deels voortgekomen uit honger en ellende, deels ook uit Humanisme, Verlichting en een poging tot onbevooroordeelde morele herbezinning. Honger en ellende leidden tot grimmigheid, massamoord en overhaaste besluiten, de rest tot een nieuwe inrichting van de samenleving waarin voortaan niet de kerk maar de mens centraal zou staan. De kerk, die tot dan toe geboorte, huwelijk en dood had begeleid, met ceremonieel had omgeven, en had geadministreerd, moest allerlei taken (en een hoop bezit) overdragen aan de staat. Daaronder het huwelijk, althans, het primaat daarop: voortaan zou de staat het huwelijk sluiten, en mocht de kerk het pas nadien inzegenen.

Maar bij die overname gebeurde iets raars: de staat nam weliswaar niet het verhaal van Gods Plan over, maar wel álle praktische consequenties daarvan – een overhaast besluit. Het huwelijk bleef voorbehouden aan één man en één vrouw en het bleef hét vehikel voor voortplanting en seksualiteit. Huwelijken van meer dan twee mensen, huwelijken van mensen van hetzelfde geslacht die derhalve geen kinderen konden krijgen, en huwelijken van te nauwe verwanten die God en de genetica een gruwel waren, werden bij wet verboden. En dat ligt ook voor de hand als de staat een huwelijk sloot dat nadien door de kerk moest kunnen worden ingezegend.

Kerk en staat bleven daardoor veel nauwer verbonden dan we meestal suggereren dat ze zijn. Sterker nog, het feit dat de kerk alleen huwelijken mag inzegenen die voldoen aan door de staat gestelde eisen, vormt een regelrechte inbreuk op de scheiding van kerk en staat die alom gepredikt en beleden wordt. Dat is niet alleen erg omdat het de kerk nodeloos in zijn vrijheid beperkt, het is ook erg omdat het de kerk een plaatstalen excuus geeft zich – voor wat hoort wat – te mengen in staatszaken. De gelovige ambtenaar die geen homo’s wil trouwen is daarvan een voorbeeld. En zo bezien staat die ambtenaar sterker dan velen waar willen hebben.

Trouwens, ook ten aanzien van geboorte en dood nam de staat althans aanvankelijk de kerkelijke praktijk – een expliciete registratie van buitenechtelijkheid, een verbod op alle vormen van lijkbezorging behalve de begrafenis die het lichaam voor de opstanding des vlezes moest bewaren – over, en ook daar zonder het kerkelijke verhaal waaraan die praktijk zijn zin ontleende. Ik zeg het vaker, en met genoegen: het humanisme is praktisch christendom minus het christelijke verhaal plus iets wazigs over wat de mens dan wel op eenzame hoogte plaatst. Onzin dus.

Dat geseculariseerde maar nog altijd in wezen kerkelijke huwelijk heeft een eeuw of twee onveranderd gefunctioneerd, tot de homo-emancipatie tot enige, flink verlate bezinning dwong. Maar ook die bezinning had iets halfslachtigs. Homoseksuelen dienden toegang tot het huwelijk te krijgen omdat ook zij vaak een blijvende seksuele relatie aangingen – een gedachtengang die er impliciet van uitgaat dat het huwelijk er is om blijvende seksuele relaties te formaliseren.

Mij dunkt dat de staat alleen tot taak heeft het samenleven van mensen zo vrij en veilig mogelijk te maken – twee idealen overigens die elkaar soms bijten – maar zeker niet om meer normen te stellen en af te dwingen dan daarvoor nodig is. Vanuit die optiek kan wat nu het burgerlijk huwelijk heet niets anders zijn dan een contract tussen de staat enerzijds en de leden van een huishouden anderzijds, waarbij de betrokken burgers beloven elkaar en hun eventuele minderjarige kinderen te zullen bijstaan – een mantelzorggarantie zo u wilt – en de staat ze in ruil daarvoor een reeks juridische en financiële zekerheden biedt. Er is geen enkele reden dat contract te beperken tot twee mensen van verschillend geslacht die op een bijzondere manier van elkaar houden en, hoe impliciet eventueel ook, aangeven een seksuele relatie te willen onderhouden. Als broer en zus, twee broers, drie zusters, vier vrienden, vijf geloofsgenoten, of hoeveel volwassenen met wat voor onderlinge relatie dan ook bereid zijn samen te wonen, samen een huishouden te voeren, en elkaar tot het einde zo goed mogelijk te verzorgen, dan rest de staat niets anders dan hun gelofte terzake te registreren, er waar nodig op toe te zien dat ze zich aan die gelofte houden, en ze alle rechten toe te kennen die de wet aan zulk officieel erkend samenleven behoort te verbinden en die nu alleen aan gehuwden zijn voorbehouden. Gedoe met ringen en kussen past daarbij niet, om van een preekje door de dienstdoende ambtenaar maar te zwijgen. Preekjes horen in de kerk. Als de betrokkenen hun besluit willen vieren, dan doen ze dat maar thuis of in een feestgelegenheid.

En de kerk? De kerk dient zijn zeggenschap over het huwelijk volledig terug te krijgen – en ten overvloede: voor ‘kerk’ mag u ook ‘synagoge’, ‘moskee’ of ‘tempel’ lezen. Wie in de kerk trouwt, of daar juist onmogelijk trouwen kan, gaat de staat niets aan, net zomin als het de kerk iets aangaat wie een wettelijk samenlevingsverband aangaat, en met wie dan wel. En uiteraard zijn er aan een huwelijk – en laten we dat woord voortaan alsjeblieft reserveren voor de eeuwige band die in de kerk bezegeld wordt – geen materiële voordelen verbonden. Daar gaat de kerk niet over. Alleen zo is er werkelijk sprake van een scheiding van kerk en staat. En alleen zo, maar dat geheel terzijde, helpen we de kwestie van de weigerambtenaar op een nétte manier de wereld uit.

Zie ook:

96 Het COC en de weigerambtenaar

52 Trammelant rond het homohuwelijk

49 De minister en het huwelijk