Bart Voorzangers weblog

top

volgend

overzicht

110 godsdienstvrijheid vereist godsdienstige vorming

Moslims, en dan met name jonge moslims, hebben regelmatig te maken met dwang uit eigen kring. Je kunt ze helpen door datgene te verbieden waartoe ze gedwongen worden. Je zou ook kunnen zorgen dat ze hun eigen geloofs- en gedragskeuzen kunnen rechtvaardigen, en dat ze in de discussie met radicale geloofsgenoten niet bij voorbaat kansloos zijn. Daar hebben ze dan wel wat meer kennis en inzicht voor nodig dan ze nu thuis, in de moskee en op school meekrijgen.

maandag, 12 maart 2012

Wees gerust, dit wordt niet wéér een stukje over de Hogeschoolse bezemkast voor biddende moslims. Maar de aanleiding ligt daar wel: de Hogeschool van Amsterdam deed zijn informele gebedsruimte op slot omdat gematigd islamitische studenten zich door een groep fanatiekelingen gedwongen voelden om er gebruik van te maken. Zulke dwang komt voor. Net als Iran en Saoedi-Arabië heeft ook Nederland zijn islamitische godsdienstpolitie. En al gaat het dan hier om kleine clubjes onbezoldigde vrijwilligers zonder steun van het wereldlijke gezag en zonder gevangenissen en martelcentra, machteloos zijn ze bepaald niet. Jonge moslims zijn kwetsbaar, en het is dus heel goed dat instellingen als de HvA ze te hulp schieten. Alleen, het afsluiten van een gebedsruimte lijkt me de juiste vorm niet. Sterker nog, ik denk dat het haast reflexmatige van die reactie deel van het probleem is. De kwetsbaarheid van jonge moslims is vooral het gevolg van een gebrek aan religieuze kennis en theologische vaardigheden. En die missen ze omdat wij religie als privézaak zien waarvan je in het openbare leven zo min mogelijk dient te merken – precies de reden waarom het afsluiten van zo’n ruimte zo voor de hand lijkt te liggen.

’t Is al vaker gezegd: Nederland was net stevig aan het seculariseren toen het een grote groep behoorlijk traditionele gelovigen binnenhaalde. Als werkkracht waren ze welkom, als medemens aanvankelijk ook nog best, maar dat ze gelovig waren, wilde aanvankelijk vrijwel niemand weten. Aandacht voor dat geloof kwam er pas toen enkele voornamelijk niet-Nederlandse moslims, voornamelijk élders, in naam van dat geloof dood en verderf begonnen te zaaien. En die aandacht was vooral negatief.

Zeker, er zijn nog heel wat gelovige, en dan meestal christelijke, Nederlanders, maar voor hen is geloof vooral een innerlijke overtuiging, en een bron van hoop en troost, waarover ze in het openbaar nauwelijks nog spreken. In het politieke discours speelt dat geloof eigenlijk geen rol meer. De modale CDA-er wordt zelfs kribbig als je hem of haar aanspreekt op het christendom dat ooit toch achter die C stak. En in het morele discours is de christelijke ethiek zo goed als volledig ingeruild voor algemene normen, waarden en deugden. God speelt daarin geen enkele, althans geen enkele zichtbare, rol. Godsdienst is voor autochtonen stilaan gaan behoren tot de zaken waarover men in gezelschap zwijgt.

In het dagelijks leven van veel, ook bepaald niet fanatieke en activistische, moslims daarentegen speelt het geloof een behoorlijke centrale rol. Het bepaalt, soms van moment tot moment, wat goed en fout is, wat je doet of laat, hoe je je kleedt, wat je eet en drinkt, hoe je je geld besteedt, je tijd indeelt, je partner kiest, en wat je zegt of ongezegd laat.

Het gevolg van dat soms behoorlijk grote verschil is dat wij met moslims niet praten over zo ongeveer het belangrijkste in hun bestaan. Met hun islam hoeven ze bij ons niet aan te komen. Daarover kunnen ze alleen bij elkaar terecht. Als zich op religieus terrein problemen voordoen, moeten ze dat onderling maar oplossen.

’t Is zo bezien al een wonder dat die HvA-studenten klaagden over religieuze intimidatie, en al helemaal dat het bestuur daarop iets ondernam. Maar wát het ondernam past weer wel heel aardig in het plaatje. Als zich een conflict tussen moslims voordoet, zijn autochtone bestuurders sterk geneigd het strijdperk gewoon maar af te sluiten. De HvA deed dat letterlijk door de gebedsruimte op slot te doen. Een Antwerpse scholengemeenschap deed dat een poosje geleden wat figuurlijker door het dragen van hoofddoekjes te verbieden zodat geen studente nog onder druk gezet kon worden om zo’n doek om te doen (zie mijn ‘Anderen over het Koninklijk Atheneum’). Ze gedragen zich als ongeduldige ouders wier kinderen vechten om een stukje speelgoed: speelgoed in de kast, kast op slot, conflict bezworen. Op de korte termijn lijkt het een oplossing, maar zo’n tactiek heeft een aantal bezwaren. De combattanten zien de dingen die hun leven glans geven één voor één verdwijnen, hun schijnbaar bezworen machtsstrijd richt zich op andere dingen en gaat ondergronds, en een fantastische gelegenheid ze te leren omgaan met dit soort conflicten gaat ongebruikt voorbij.

Wat door fundamentalisten onder druk gezette moslims nodig hebben is een gedegen kennis van hun geloof. Van huis, weekendschool en moskee krijgen ze het traditionele, eendimensionale, verhaal mee. Dat gaat over een eeuwige en ongeschapen, door God aan Mohamed gedicteerde koran, een door ooggetuigen zorgvuldig vastgelegde biografie van de Profeet waaruit iedereen alles leren kan wat hij leren moet om een voorbeeldig moslim en mens te worden, en een ononderbroken traditie die garandeert dat vaders en imams alles weten wat voor kinderen en gemeenteleden van belang is en waarover die laatsten vooral niet zelf moeten gaan nadenken.

Dat over herkomst en ontwikkeling van de islam ook andere verhalen te vertellen zijn, verhalen die vaak wat beter sporen met wat we allemaal zoal over de wereld weten, dat horen ze nergens, laat staan dat ze met die verhalen kennis maken op een manier die hun leven en denken zou kunnen verrijken. Nadenken over aard en gezag van religieuze bronnen leren ze niet, laat staan dat ze die bronnen kritisch leren lezen. Enige kennis van de godsdiensten waar de islam uit voortkomt, krijgen ze niet mee. Inzicht in de aard van religieuze autoriteit krijgen ze van niemand. Het besef dat leer en leefregels nooit onmiddellijk uit de koran komen, maar altijd en onvermijdelijk berusten op een interpretatie van die oude, behoorlijk grillig geordende en alles behalve toegankelijke en ondubbelzinnige tekst, blijft ze vreemd.

Kortom, ze weten maar weinig van hun eigen geloof, en alle kennis die hen kan helpen hun eigen positie te bepalen, die met kracht van argumenten te verdedigen, en respectvol maar standvastig afstand te nemen van visies die hen niet aanspreken, wordt hen haast stelselmatig onthouden. In een discussie met de dogmatische drammers die alles wat hen niet aanstaat haram noemen, die elke geloofsgenoot die zich anders gedraagt dan zij een eeuwig verblijf in een hels vuur voorspiegelen, en wie weet in hun ijver zelfs dreigen met ellende vóór de dood, staan minder behoudende moslims met lege handen. En waarom? Omdat wij met z’n allen hebben besloten dat godsdienst geen maatschappelijke betekenis meer heeft, dat godsdienstige en theologische kennis, kennis van niks is, waar we onze kostbare onderwijstijd niet aan moeten verspillen, dat godsdienst iets is voor thuis en vrije tijd – besluiten die volledig voorbijgaan aan de betekenis van de godsdienst in het leven van een aanzienlijk deel van onze moslims.

Het wordt tijd dat we dit gaan inzien, en er consequenties aan verbinden. Het Nederlandse onderwijs zal in elk geval zijn islamitische leerlingen en studenten een gedegen godsdienstige vorming moeten meegeven. Dat is in hún belang, omdat het ze de vrijheid geeft zélf te besluiten wat ze willen geloven en welke betekenis ze hun geloof in hun leven willen geven. Onze grondwet garandeert vrijheid van godsdienst, en voor die vrijheid zijn kennis en inzicht noodzakelijke voorwaarden.

Maar gedegen godsdienstonderwijs is ook een gemeenschappelijk belang. Nederland zal voorlopig een land zijn met een niet te verwaarlozen islamitische minderheid, en als we toestaan dat leden van die minderheid gegijzeld worden door een handvol radicalen, blijft dat door onze nalatigheid een minderheid in de maatschappelijke marge. En dat moeten we niet willen.

Zie ook:

106 Stadsdeel Amsterdam-Oost verbreekt De Verbinding

95 Het OM pleit voor fictie en vrijspraak

85 Een neutrale overheid

79 Godsdienstvrijheid

62 De schijn van partijdigheid

56 Onderwijsvrijheid is een Universeel Mensenrecht

35 het TVHIOIO

14 mag een overheid gelovigen in dienst nemen?

3 Marcouch en de handjes