Bart Voorzangers weblog

top

volgend

overzicht

112 Het sprookje van de universele moraal

Morele oordelen veranderen zoals het weer verandert – over oorzaken valt vast iets te zeggen, maar van rede is geen sprake. Morele diversiteit is daarmee onafwendbaar. Zelfs als die er eens even niet zou zijn, ontstaat die als vanzelf opnieuw. ’t Wordt tijd dat we leren ons daarbij neer te leggen.

donderdag, 29 maart 2012

Ik zie een recht als iets dat je krijgt, dat je wordt toegekend door wie of wat het ook maar voor het zeggen heeft. Ik denk ook stiekem dat die rechten-opvatting de oudste papieren heeft. Als je ergens het vis- of tolrecht had mocht je daar vissen of tol heffen van de lokale heerser. En als anderen er een hengeltje uitgooiden of een tolpoort bouwden, of jou het vissen of tol heffen onmogelijk probeerden te maken, kregen ze het met die heerser aan de stok. Bij dat soort rechten kan ik me iets voorstellen. ’t Is helder hoe ze tot stand kwamen en wat ze betekenen. (En terzijde: voor plichten en andere morele categorieën geldt precies hetzelfde).

Maar er zijn nogal wat mensen die daarnaast ook ruimte zien voor ‘natuurlijke’, ‘inherente’ rechten, rechten die er gewoon zijn, ook als ze niet worden erkend, en niet door machthebbers worden beschermd – rechten die als het ware in de rechthebbende zitten ingebakken. En waar de rechten die ik snap altijd tijdelijk en plaatsgebonden zijn – gewoon omdat niemand het overal en voor eeuwig voor het zeggen heeft en er dus niemand is die je voor eeuwig en overal een recht kan toekennen – zien aanhangers van ‘natuurlijke’ rechten die rechten als eeuwig en universeel.

Helemaal onbegrijpelijk is dat idee niet. Wie ervan uitgaat dat er een eeuwig en overal oppermachtige, persoonlijke God is, gelooft daarmee in het mogelijke bestaan van precies de universele-rechtengever waarvan ik het bestaan twee zinnen terug ontkende. En wie meent vrijelijk in het Godgegeven viswater van zulke gelovigen te kunnen vissen omdat hun Heerser niet ingrijpt, verkijkt zich op de eeuwigheid: zulke rechtsverkrachting wordt in deze visie wel degelijk afgestraft, zij het dan pas ná een uiterst kortstondig aards bestaan. Ik deel het geloof in zo’n God niet, maar ik ik begrijp ze wel, de christenen, moslims en anderen die in universele rechten geloven. Maar wat ik niet snap is hoe – echte of methodische – secularisten het over zulke rechten kunnen hebben. Ze wijzen namelijk precies datgene af wat ze toch echt nodig hebben om hun universele rechten in de lucht te houden: een eeuwige en universele oppermacht met eeuwige en onveranderlijke ideeën over goed en kwaad.

We lopen hier aan tegen een algemener verschijnsel: allerlei binnen een godsdienstig kader volkomen begrijpelijke ideeën over (door een God gegeven) rechten, (door zo’n God opgelegde) plichten, (door zo’n God aangeprezen) goed en (door zo’n God veroordeeld) kwaad, worden in de moderne, academische en daarmee niet-godsdienstige ethiek gewoon overeind gehouden, hoewel de Auteur aan wie ze hun bestaan danken is afgeschaft of in elk geval buiten haken is geplaatst. Ethiek is een poppenkast die doorspeelt terwijl de Poppenspeler is ontslagen en vertrokken, of bij gebrek aan bestaansrecht overleden.

Neem de universele rechten van de Universele verklaring van de rechten van de mens. Zulke rechten zouden kunnen zijn toegekend door een God, aangenomen dat die zich voldoende om ons bekommert om zich in detail met ons doen en laten te bemoeien. Maar in zo’n God geloof ik niet. Of ze kunnen zijn toegekend door zoiets als een universele en eeuwige wereldregering. Maar dat soort instellingen hebben we niet. In werkelijkheid zijn die rechten, of preciezer is de tekst waarin ze worden beschreven, het product van een overeenkomst tussen in de Verenigde Naties samenwerkende – nou ja, samen-zetelende – landelijke overheden. Die Verenigde Naties vormen een orgaan met een beetje gezag, en nog minder macht. Een reëel want afdwingbaar recht wordt zo’n ‘universeel mensenrecht’ dus pas als het door een voldoende krachtige nationale regering wordt vastgelegd in landelijke wetgeving, en universeel is zo’n recht dan natuurlijk al lang niet meer.

Kortom, wie smalend doet over de als goddelijk gepresenteerde regeltjes uit Bijbel, Koran en Hadith, zou minstens even smalend moeten doen over de als universeel gepresenteerde regeltjes uit die VN-Verklaring. ’t Is allemaal tijd-, plaats- en mode-gebonden mensenwerk – regeltjes waarin plaatselijke en tijdelijke machthebbers hun persoonlijke voorkeuren hebben vastgelegd.

Begrijp me niet verkeerd. Ik ben zeer vóór de in die Verklaring vastgelegde rechten, maar ik ben ervoor zoals ik voor het behoud van klassieke stationsgebouwen en voor de productie van volkorenbrood ben – zaken die mijn ogen en mijn tong strelen. Bij het idee dat ik met die morele, esthetische of culinaire voorkeuren op de een of andere manier ‘gelijk’ heb, stel ik me helemaal niets voor.

Het lastige van voorkeuren is dat ze in de praktijk nogal eens botsen. We kunnen de prachtige stations van Haarlem en Groningen nu eenmaal niet laten staan omdat ik ze zo mooi vind, en ze tegelijkertijd vervangen door de hoogtepunten van twintigste- of eenentwintigste-eeuwse architectuur die anderen nu juist weer zo aanspreken. Bij stationsgebouwen is de oplossing simpel: wie wat moderners wil kan nu in Almere en straks in Rotterdam zijn of haar hart ophalen. En daarmee is meteen ook de prijs helder: diezelfde modernisten zullen in Haarlem of Groningen een oogje dicht moeten doen om hun ziel esthetisch niet te zeer te kwetsen. Dan laat ik me wel met gesloten ogen door Almere rijden.

De vraag is natuurlijk hoe je een wereld creëert waarin liefhebbers van VN-mensenrechten en liefhebbers van bijvoorbeeld een op mozaïsche wetten of op de sharia gebaseerde rechtsorde zich allemaal in elk geval ergens op hun gemak kunnen voelen. Een simpele oplossing is een wereld waarin elke levensbeschouwing, elke morele smaak, zijn eigen territoir heeft. ’t Zou mooi zijn als iedereen in zo’n wereld vrij is om te verhuizen naar een ander grondgebied – smaken verschillen namelijk niet alleen, ze veranderen ook. Een andere mogelijkheid is dat je de die rechtsorden niet ruimtelijk maar puur organisatorisch scheidt: elke bevolkingsgroep zijn eigen systeem van rechten en plichten, en ook dan natuurlijk liefst met de mogelijkheid je bij een andere groep aan te sluiten als een verandering van je morele voorkeuren daarom vraagt. Hoe dan ook: hier valt nog een hoop aan uit te denken. En om al te hoog gespannen verwachtingen maar meteen de kop in te drukken: echt ideaal wordt het nooit, daar kun je vergif op innemen. Een min of meer acceptabel compromis is echt het hoogst haalbare. Maar dat is ook dan toch al gauw leefbaarder dan het alternatief van een met geweld afgedwongen morele monocultuur.

Wat bij dat uitdenken in elk geval niet helpt is je eigen moraal verabsoluteren, en doen alsof wie die afwijst derhalve – anders dan jij – irrationeel, dom, blind, bekrompen of anderszins gebrekkig is. En dat is wel precies wat je doet door je eigen mores universeel of eeuwig te noemen. Ook wat dat betreft hebben secularisten en orthodox-religieuzen elkaar dus weinig te verwijten.

Het grote probleem met mensen die hun eigen moraal verabsoluteren is dat ze onvoldoende om zich heen kijken. Als de moreel absolutist naar zijn eigen morele ontwikkeling kijkt, meent hij een opgang naar steeds doordachter en doorleefder moreel inzicht te zien. En hij denkt dat ieder ander die net zo diep nadenkt en zich net zo breed oriënteert als hij, bij diezelfde inzichten zal uitkomen. De werkelijkheid maakt van dat idee een lachertje. Mensen die zich langdurig en diepgaand met moraal bezighouden veranderen inderdaad van mening, maar de richting van die verandering is bij iedereen weer anders. Wat de een in onbezonnen jeugdig enthousiasme afwees en pas op latere leeftijd als diepere wijsheid ging ervaren, hangt een ander als jong broekie heftig aan om het pas bij het ouder worden meer en meer te gaan betwijfelen en uiteindelijk compleet te verwerpen. Een morele ontwikkeling is een random walk door de hyperruimte van mogelijke morele standpunten, net zoals een esthetische ontwikkeling een willekeurige dwaaltocht door een wereld van mogelijke muzikale, litteraire, pictorale en culinaire voorkeuren is. Allemaal goed voor levenslang genot … maar val anderen er niet mee lastig.

Met dat al is één ding zeker: wie een pluriforme oplossing afwijst, stevent onafwendbaar af op een – uiteindelijk gewelddadige – confrontatie die niets oplost. Zelfs als we, na een hoop moord en doodslag in een moreel uniforme wereld belanden, is die toestand van gelukzalige eensgezindheid maar heel tijdelijk. Ook in die nieuwe wereld zullen morele smaken blijven veranderen, dus voor je het weet heb je alle pluriformiteit weer terug waarvan je eindelijk verlost dacht te zijn. Wie streeft naar een wereld zonder morele tegenstellingen is even dwaas als wie streeft naar een wereld zonder zwaartekracht. ’t Wordt tijd dat we ons daar echt eens bij neerleggen.