Bart Voorzangers weblog

top

volgend

overzicht

114 De verdoofde rabbijn

De Amsterdamse rabbijn Lody van de Kamp schreef en publiceerde twee belangwekkende boeken. Helaas zijn ze geen van beide af.

zaterdag, 28 april 2012

Het eerste gaat over kosjer slachten. Van de Kamp beschrijft uitvoerig hoe de joodse slachter, de sjocheet, wordt opgeleid. We leren met hoeveel zorg hij zijn messen leert slijpen en polijsten. We lezen welke vaardigheden hij moet moet verwerven en hoeveel anatomische, juridische en theologische kennis hij tot zich moet nemen voor hij zijn eerste dier mag doden. We zien hoe strak zijn werktijden – maximaal vier dagen per week, maximaal vier uren per dag – geregeld zijn en welke eisen er allemaal gesteld worden aan wat hij de rest van de tijd doet om te garanderen dat hij trefzeker en beheerst zijn werk kan doen.

Van de Kamp is zelf ooit zo geschoold en heeft het ambt vele jaren beoefend. Hij kan er dus uit eigen ervaring over vertellen. Zijn verhalen maken duidelijk dat de aanvankelijk verrassende combinatie van rabbijn en sjocheet – welke Hollandse slachter heeft het ooit tot dominee gebracht? – bij nader inzien zo vreemd niet is, en ik begrijp nu ook beter hoe mijn zeventiende eeuwse Amsterdamse voorvader die in de joodse gemeenschap als Asser Sjochet bekend stond, vooral als drukker en uitgever de geschiedenis zou ingaan. Een sjocheet is al gauw ook een intellectueel.

De sjocheet snijdt in één doorgaande beweging, zonder nodeloze druk, met een vlijmscherp en braamvrij mes de luchtpijp, slokdarm en halsslagaders van het dier door. Wie ooit wel eens een onhandige beweging met echt scherp gereedschap maakte, weet dat het even duurt voor je voelt dat je je gesneden hebt. Ik herinner me in elk geval goed de keren dat ik mijn fijngesneden uitje of het stuk hout waaraan ik werkte rood zag kleuren en pas bij het schoonmaken van hout of ui door een eerste pijnscheut ontdekte in wélke vinger ik onbedoeld mijn keukenmes of bijtel had gezet. En mijn gereedschap komt qua scherpte niet bij dat van een goede sjocheet in de buurt. Het door hem gekeelde dier is al lang buiten bewustzijn voor die scheut zich kan voordoen. Als ik de doordachte zorgvuldigheid van deze manier van slachten vergelijk met het botte geknoei met schietmaskers en elektroden in onze grote abattoirs, dringt zich slechts één vraag op: waar is de dichtstbijzijnde kosjere slager? Voor de zekerheid dat het dier dat ik eet niet nodeloos geleden heeft, fiets ik graag een extra blokje om (de bloedworst waar ik dol op ben, zal ik moeten missen, maar ach, daar denken mijn huisgenoten weer heel anders over …).

Wat mij verbijstert is dat ik dit verhaal in alle betogen rond de behandeling van het wetsvoorstel over ‘onverdoofd’ slachten, nergens ben tegengekomen. Trouwens, hoezo ‘onverdoofd’? Als er íets onverdoofd slachten zou moeten heten dan wel de botte pin die door huid, schedel en hersenvlies wordt geramd. Je zou haast bewondering krijgen voor een industrie die ons weet aan te praten dat hier verdoofd geslacht wordt, simpelweg door de helse handeling die tot de dood van het dier leidt, zélf als ‘verdoving’ aan te duiden. Als dat ‘verdoven’ is, mag wat de sjocheet met zijn mes doet al zeker verdoven heten. Het grote verschil is dan dat de sjocheet pijnloos verdooft, en de reguliere slachter alles behalve.

Van de Kamp deelt mijn verbijstering. Hij beschrijft hoe hij in de aanloop naar de behandeling van het wetsontwerp van overleg naar overleg snelt, daar steeds weer probeert om zijn verhaal te doen, en regelmatig te horen krijgt dat sjocheet Van de Kamp niets hoeft te zeggen omdat men zich ten volle ingelicht acht, en dat men hoogstens nog rabbijn Van de Kamp de gelegenheid wil geven wat stoom af te blazen. ’t Zijn gênante maar verhelderende verhalen over mensen van allerlei partijen die zich al volledig hadden ingegraven voor ze met anderen in gesprek gingen.

Tot zover niets dan lof voor het boek van Van de Kamp. Maar het laat wel wat vragen open. De maatschappelijke bezwaren tegen het ‘onverdoofd’ slachten richten zich allereerst tegen de islamitische slachtpraktijk. Niets wijst erop dat de sjocheet een islamitische collega heeft die qua vakbeheersing in zijn schaduw kan staan. En van een islamitische versie van de uitgebreide beregeling van de kosjere slacht ontbreekt elk spoor. ’t Zou dus goed kunnen dat hallal geslachte dieren minder benijdenswaardig zijn dan de dieren die bij de sjocheet onder het mes gaan. Maar ’t was goed geweest als Van de Kamp dat had uitgezocht. Als het enige verschil is dat het jodendom zijn zaken op dit punt beter geregeld heeft dan de islam, ligt de oplossing voor de hand: plaats de islamitische slacht onder rabbinaal toezicht, en stel aan islamitische slachters dezelfde eisen als aan de sjocheet. De vraag is dan wel of kosjer vlees ook automatisch hallal is. En zo niet, wat je zou moeten doen om het dat te maken. Ook wat dat betreft had Van de Kamp iets dieper kunnen graven.

Als de sjocheet zijn snijwerk gedaan heeft, maakt hij zijn mes schoon, en controleert hij het zorgvuldig. Zou het beschadigd blijken, dan is het dier niet kosjer geslacht. Ook controleert hij het dier zelf. Zou daar iets aan mankeren dan kan het vlees evenmin als kosjer de winkel uit. Het is alleen nog geschikt voor consumptie door niet-joden. En daar heb ik moeite mee.

Ik heb een poosje gevist, en ik heb altijd gevonden dat je een vis, eenmaal gevangen, ook hoort te doden en op te eten. Dat je als carnivoor je prooi pijn doet, is onvermijdelijk, maar de pijn die je een dier doet zónder het vervolgens op te eten is wel degelijk vermijdelijk en daarmee naar mijn morele gevoel onaanvaardbaar. Hoe langer het binnenhalen van de vis geduurd had, hoe meer die vis geleden had, hoe nadrukkelijker ik me verplicht voelde hem met respect en dankbaarheid te verorberen. Ik zie maar één geldige reden om van dat opeten af te zien: als het vlees om medische redenen voor consumptie ongeschikt blijkt. De criteria die de sjocheet hanteert bij het keuren van zijn slachtoffer zijn niet ontleend aan modern medisch inzicht. Het feit dat een afgekeurd dier zo mogelijk alsnog bij de niet-joodse slager terechtkomt, bevestigt dat ook: het vlees is ongeschikt om religieuze redenen; medisch-hygiënisch is er niets mis mee. Maar als er geen ongelovigen in de buurt zijn, zal het worden afgevoerd en verbrand of begraven, kortom verspild. Mij dunkt dat een rechtvaardige en liefdevolle schepper zoiets toch nauwelijks gewild kan hebben. Al biedt dat idee natuurlijk meteen ook een mooie uitweg: ’t zou betekenen dat je als jood de niet-jood nodig hebt omdat je alleen samen kunt zorgen voor een verantwoord gebruik van de bestaansmiddelen waarin de schepper voorziet. Hoe dan ook, ’t was mooi geweest als Van de Kamp hier meer over gezegd had.


Van der Kamps tweede boek gaat over een samenleving die heftig seculariseert, en zijn respect voor godsdiensten snel aan het verliezen is. Dat dit hem pijnlijk treft is duidelijk en begrijpelijk, maar hij beperkt zich misschien toch te veel tot het beschrijven van zijn eigen ervaringen en die van mede-gelovigen. Daarmee is hij ten volle de ‘verdoofde rabbijn’ uit de titel van zijn boek, die alleen nog maar kan klagen over wat hem en anderen wordt aangedaan, en het siert hem dat hij bij die anderen ook expliciet zijn islamitische landgenoten insluit. Aan de rechtmatigheid van die klacht bestaat wat mij betreft niet de minste twijfel, maar ’t is wel heel jammer dat hem de kracht ontbrak ook even wat zakelijker te kijken naar wat er nu eigenlijk gebeurt.

De gangbare voorstelling van een maatschappij waarin seculiere krachten met rede en wetenschap verlichting brengen en irrationele, obscurantistische religies steeds meer naar de marge dringen waar hun aanhangers in kleine reservaatjes naar eigen inzicht mogen leven zolang ze anderen daar niet mee schaden, is uiterst misleidend. In werkelijkheid zijn de morele en metafysische vooronderstellingen van de seculiere meerderheid even irrationeel en ongefundeerd als die van de godsdienstige minderheden. In werkelijkheid leven we in een samenleving waarin de oppermachtige aanhang van een seculiere religie korte metten maakt met die van godsdienstige religies en zich daarmee even dwingend en onderdrukkend gedraagt als christenen, moslims, joden, en wat hebben we verder nog, geneigd zijn te doen in samenlevingen waarin zij de touwtjes in handen hebben. Mij dunkt dat een rabbijn als geen ander in staat zou moeten zijn dit te doorzien. Als je van iemand mag verwachten dat hij de zelfoverschatting van seculier Nederland weet te fileren, dan van hem wel. Het analytisch gereedschap van een grondig geschoolde joodse geleerde doet in niets onder voor de scherpte van het mes van de sjocheet. En dan is het droevig te moeten constateren dat Van de Kamp het hier laat afweten.

Geheel onbegrijpelijk is dat verzaken niet. Ik schreef dat Van de Kamp twee boeken schreef, maar dat was slechts bij wijze van spreken. Hij heeft zijn twee verhalen tot één boek samengesmeed. Hij heeft ze daarmee beide de ruimte ontnomen die een grondige uitwerking vereist had. En hij kwam daardoor in de verleiding verbanden te leggen die er bij nader inzien misschien toch niet allemaal zijn. ’t Is moeilijk zijn boek niet te lezen als een betoog waarin bezwaren tegen kosjer slachten een akelig antisemitisch tintje krijgen. En ’t was precies dat punt dat me stak toen ik Van de Kamp in het televisieprogramma De Halve Maan (30 maart j.l.) over zijn boek hoorde spreken, en besloot zijn boek te lezen. Ik had bedenkingen bij de joodse en islamitische slacht, maar ik wens mij niet als antisemiet te laten wegzetten simpelweg omdat ik op bepaalde punten kritiek heb op het doen en laten van mijn joodse medemens, terwijl dat precies was wat Van de Kamp leek te doen.

Op 4 juli 2011 deed Van de Kamp aangifte wegens belediging tegen de heren Dion Graus en Martijn van Dam en de dames Marianne Thieme en Janneke Snijder-Hazelhoff, allen tweede-kamerlid, wegens uitspraken over de rituele slacht die hem pijnlijk troffen. Zij zeiden dat die manier van slachten leidt tot ‘extra dierenleed’, ‘onnodig dierenleed’, ‘ overtreding van de ‘Nederlandse dierenwelzijnsnormen’ en dat (hier is de altijd wat minder subtiele Graus aan het woord) dieren daarbij ‘gruwelijk’ worden ‘gemarteld’. De officier van justitie besloot al snel na die aangifte om van vervolging af te zien, omdat de uitlatingen deel uitmaken van het maatschappelijk debat en door het Europese Hof voor de Rechten van de Mens worden beschermd tegen ingrijpen door de nationale autoriteiten. Van de Kamp denkt dat het juridisch wel zal kloppen, maar concludeert dan

… dat er geen rechtsmiddel bestaat om de Joodse gemeenschap … tegen deze beschuldigingen in bescherming te nemen. Ik het kader van het maatschappelijk debat mogen volksvertegenwoordigers roepen dat Joden dierenbeulen zijn, dat zij de wereldmacht in handen proberen te nemen of dat zij woekeraars, afzetters, zwendelaars en vagebonden zijn. En zo zouden er nog meer uitspraken uit de geschiedenis genoemd kunnen worden.

Met alle respect: zoiets past een rabbijn niet. Over de vraag of kosjer slachten tot extra en dus onnodig dierenleed leidt, behoort gewoon gediscussieerd te kunnen worden. En in zo’n discussie dient iemand stelling te kunnen nemen. Wat je mag eisen is dat zo iemand naar argumenten wil luisteren, en dat zo iemand na het aanhoren van doorslaggevende argumenten die stelling herroept, maar het gaat niet aan de betrokkene tevens – hoe indirect ook – allerlei vuils in de mond te leggen. Van de Kamp draaft hier door, en daarmee ondergraaft hij zijn eigen geloofwaardigheid.

Ik hoop van harte dat Lody van de Kamps Dagboek van een verdoofd rabbijn – persoonlijke notities bij een politieke aardverschuiving (Boekencentrum, 2012) een waardige opvolging krijgt in de vorm van twee boeken, waarin de omgang met landbouwhuisdieren (boek 1) en de groeiende hegemonie van een seculiere religie (boek 2) beide de aandacht krijgen die ze verdienen.