Bart Voorzangers weblog

top

volgend

overzicht

117 Het democratisch tekort en het recht van de weigerambtenaar

Een besluit is democratisch als alle betrokkenen er evenveel van hun eigen opvattingen in terugvinden. Beslissen bij meerderheid van stemmen leidt niet noodzakelijk tot democratische besluiten. Het erkennen van gewetensbezwaren tegen door een meerderheid genomen besluiten verlicht de pijn van wie door dit democratisch tekort getroffen wordt. In een echte democratie hebben levensbeschouwelijke minderheden recht op die erkenning.

donderdag, 14 juni 2012

Democratie betekent letterlijk regering door het volk. Zo letterlijk genomen is democratie een onmogelijkheid want ‘het volk’ bestaat niet. Wat bestaat is een grote groep mensen die over van alles steeds zo hun eigen ideeën hebben. Laten we van democratie spreken bij een besluitvormingssysteem waarin ieders mening even zwaar weegt – een systeem dat uitgaat van de fundamentele gelijkwaardigheid van alle mensen. Daarmee ligt een lofwaardig principe vast, maar ’t moet nog wel in praktische procedures worden vertaald.

In een samenleving met voldoende tijd en niet te veel deelnemers, kun je besluiten nemen door in een grote kring te gaan zitten en net zo lang te overleggen tot je bij een aanpak uitkomt waar iedereen het van harte mee eens is, of die iedereen als het meest redelijke compromis tussen de verschillende standpunten erkent. Je hoort soms dat sommige Afrikaanse stammen met succes zo werken. Onze samenleving heeft daarvoor te veel leden. Dat op zich kun je nog oplossen met een systeem van afgevaardigden. Maar die afgevaardigden staan voor zoveel urgente problemen dat praten tot ze het overal over eens zijn gewoon niet kan. ’t Lukt zo niet, dus ’t moet anders.

De gangbare oplossing voor dit gebrek aan tijd is stemmen. We praten even – zij het eerder om de verschillende voorstellen te verduidelijken dan om elkaar van ons gelijk te overtuigen, laat staan om een door iedereen onderschreven compromis te vinden. En daarna treedt een vooraf vastgelegd systeem in werking dat in een of meer stemronden bepaalt welk voorstel we aannemen. ’t Idee is hoe dan ook dat de meerderheid beslist, en dat idee is ons zo vertrouwd dat velen dát als definitie van democratie beschouwen: democratie betekent dat de meerderheid beslist.

Ik denk dat dat een vergissing is. Democratie betekent dat iedereen, en ieders mening, even serieus genomen wordt. Stemmen, en de meerderheid laten beslissen, is niet meer dan een (verlegenheids)oplossing om een mooi ideaal te vertalen in een praktisch uitvoerbaar besluitvormingssysteem. Maar dat systeem heeft gebreken waar we ons niet voldóende bewust van kunnen zijn. Bij elk besluit is er een minderheid die niet alleen zijn zin niet krijgt – wat altijd voor ieder die ’t treft vervelend is – maar wier mening in het uiteindelijke besluit gewoon niet doorklinkt, en dat doet toch echt afbreuk aan het democratisch gehalte van dat besluit.

Soms trekt de praktijk de oneerlijkheid van dit type besluitvorming best nog aardig recht: iedereen behoort zo nu en dan tot de verliezers, en als dat per saldo iedereen ongeveer even vaak overkomt, valt daar best mee leven. Maar dat wordt anders in gemeenschappen waar bepaalde minderheden vaker dan gemiddeld aan het kortste eind trekken. En ’t wordt beslist wrang wanneer het daarbij dan ook nog eens gaat om besluiten waartegen die minderheden voor hen zeer zwaarwegende bezwaren hebben. Mij dunkt dat je in dat geval gerust mag spreken van mensen die slachtoffer worden van het wezenlijk óndemocratische karakter van het meeste-stemmen-geldensysteem.

Mocht die conclusie u niet direct aanspreken, stel u dan even voor dat u leeft in een samenleving die getalsmatig volledig gedomineerd wordt door een groep waar u beslist niet toe behoort, een groep met morele overtuigingen die u met afgrijzen vervullen – door zwartgekousde gereformeerden bijvoorbeeld, als u zelf vrijdenker bent, of door ongelovige vrijheid-blijheid-denkers als u zelf tot een orthodoxe religieuze groepering behoort. Die meerderheid zal over allerlei zaken die u voor het goede leven van wezensbelang vindt, wetten uitvaardigen die u dwingen tot gedrag dat u op morele gronden onacceptabel vindt, of die u verbieden iets te doen dat u niet alleen volkomen aanvaardbaar vindt, maar waarvan u zelfs vindt dat ieder mens dat vrijelijk zou moeten mogen. Zo’n samenleving brengt u, met haar ‘democratisch’ gestem, regelmatig in gewetensnood.

Een democratisch systeem (prachtig!) dat bij meerderheid van stemmen besluiten neemt (verzin maar eens wat beters …!) leidt soms tot beleid dat alles behalve ‘democratisch’ is. En waar mensen daardoor in de knel raken, verdient dat probleem een nette oplossing. Gelukkig is die er ook: sta gewetensbezwaarden onder voorwaarden toe af te wijken van de bij meerderheid van stemmen vastgestelde regels. De voorwaarden zijn simpel: ’t moet gaan om een serieuze gewetenskwestie, en ’t mag niet zo zijn dat de betrokkenen door zich niet aan de betrokken wet te houden schade berokkenen aan medeburgers die wel met die wet akkoord gaan. En let wel: het gaat hier niet om ‘gedogen’ in de zin van het gedoogbeleid ten aanzien van drugsgebruik. Gedogen doe je als je even niet ziet hoe je de wet kunt handhaven zonder meer schade aan te richten dan je ermee voorkomt. Het is verlegenheidsbeleid. Het erkennen van gewetensbezwaren is dat geenszins, het is beleid dat voortkomt uit het besef dat ons besluitvormingssysteem als uitwerking van het democratisch principe tekortschiet. In een serieuze democratie hebben gewetensbezwaarden er recht op dat er voor hen een oplossing wordt bedacht. Bij gedoogbeleid is van zo’n recht geen sprake.

In Nederland erkennen we het recht van gewetensbezwaarden al sinds lang. Mensen met gewetensbezwaren tegen militair geweld dus tegen vervulling van de dienstplicht komen in aanmerking voor een vervangende dienst waarbij ze nooit een wapen hoeven aan te raken. Mensen met gewetensbezwaren tegen verzekeringen (omdat die naar hun overtuiging tegen Gods voorzienigheid ingaan) kunnen gebruik maken van een alternatief waarbij ze sparen voor tijden van tegenspoed, maar als de nood aan de man komt nooit meer dan het gespaarde bedrag kunnen uitgeven. Mensen met gewetensbezwaren tegen inentingsprogramma’s laten we ongemoeid – in elk geval zolang het om zo kleine aantallen gaat dat de volksgezondheid daardoor niet echt bedreigd wordt.

’t Lastige is misschien dat het bij die laatste twee gevallen om zulke kleine aantallen gaat dat we er nooit over horen, terwijl de dienstplicht al een poosje is opgeschort (afgeschaft is hij niet, hoewel velen dat lijken te denken), zodat we ook geen dienstweigeraar meer tegenkomen. Het uit democratisch oogpunt zeer wezenlijk principe dat hier in het geding is, kennen we daardoor niet meer. Waarschijnlijk verklaart dat waarom de Tweede Kamer nu in grote meerderheid van mening is dat er een eind moet worden gemaakt aan het verschijnsel van de ‘weigerambtenaar’.

In feite is die weigerambtenaar een schoolvoorbeeld van iemand die in gewetensproblemen komt door een wet waarin zijn morele overtuiging op geen enkele manier is meegewogen, en die dus in die zin ondemocratisch is, terwijl hij keurig voldoet aan de voorwaarden die je mag stellen aan toestemming om van die wet af te wijken: het gaat om een levensbeschouwelijk gefundeerde opvatting over de aard van het huwelijk, en er wordt geen enkel huwelijk níet gesloten als die weigerambtenaar in zijn gewetensbezwaar erkend wordt. Er wordt dus niemand door geschaad.

De Tweede Kamer tast met zijn voornemen een eind te maken aan erkenning van de weigerambtenaar, de democratie in de kern aan.