Bart Voorzangers weblog

top

volgend

overzicht

118 Martijn en de menselijkheid

Dat de rechtbank in Assen de pedofielenvereniging Martijn heeft opgeheven is om twee redenen onwenselijk: het ondergraaft de vrijheid van meningsuiting, en het maakt een probleem dat alle aandacht verdient juist minder zichtbaar. We moeten toe naar een maatschappij waarin pedofielen met een gerust hart uit de kast kunnen komen en recht hebben op alle hulp die hun leven ondanks forse beperkingen toch de moeite waard kan maken. Als dat lukt verdwijnen de sektarische aspecten van een vereniging als Martijn vanzelf.

woensdag, 4 juli 2012

De rechtbank in Assen heeft de pedofielenvereniging Martijn ontbonden omdat de publieke uitingen van die vereniging de openbare orde schaden. Volgens de rechtbank draagt de vereniging met die uitingen bij aan “een subcultuur waarin seksuele handelingen tussen volwassenen en kinderen als normaal en acceptabel gelden” en “tast” ze daarmee “de rechten van kinderen aan”.

De wet waarop de rechtbank zijn besluit baseert, gaat over “rechtspersonen” waarvan de “werkzaamheden” de openbare orde schaden. De rechtbank betoogt dat de wetgever met “werkzaamheden” ook doelde op mondelinge en schriftelijke uitingen, dus bijvoorbeeld op een website waar meningen worden verkondigt. Als de rechtbank daar gelijk in heeft is dat slecht nieuws voor de vrijheid van meningsuiting. Of het oordeel juridisch deugt, is voer voor juristen – de advocaat van Martijn gaat in hoger beroep – maar zelfs als het deugt, lijkt het me vergezocht en riskant.

Voor elke club die een bepaalde wet onjuist acht, geldt onvermijdelijk dat de leden een “subcultuur” vormen waarin datgene wat die wet verbiedt als acceptabel geldt, en waarin men vindt dat het verbodene juist normaal zou moeten zijn. En als er mensen zijn wier rechten die wet geacht wordt te beschermen, zal die subcultuur die rechten “aantasten” – in elk geval in de beperkte zin dat men er ontkent dat die rechten in het geding zijn. Maar ook daarover moet je in een democratische rechtsstaat van mening mogen verschillen.

Er zijn landen waar homoseksueel gedrag verboden is. Een vereniging in zo’n land die pleit voor afschaffing van de betrokken wetgeving, vormt een subcultuur waarin seksuele handelingen tussen mensen van gelijk geslacht als normaal en acceptabel gelden, en tast daarmee de rechten aan van iedereen die het aanvaarden van zulk handelingen als een persoonlijk affront en een ondermijning van de morele orde ervaart. We zullen de rechten van zulke benepen types niet gauw beschermwaardig vinden. Maar dat is de vraag niet. Waar benepen types de meerderheid vormen (en laten we wel beseffen dat dat zo ongeveer de hele rest van de wereld is) zou zelfs een zeer democratisch tot stand gekomen wetgeving homoseksualiteit heel wel kunnen verbieden. En dan zou een rechtbank ter plaatse volgens het Assense argument het volste recht hebben om verenigingen die opkomen voor de rechten van homoseksuelen op te heffen. Iets in mij zegt dat we die kant niet op moeten.

Een van de pijlers van een democratische rechtstaat is de mogelijkheid van burgers het met willekeurig welke wet oneens te zijn, daar vrijelijk over te spreken, en te pleiten voor herziening van die wet. Het enige wat niet mag, is alvast op de verhoopte wetswijziging vooruit lopen door de wet te overtreden, maar daarvan was bij de vereniging Martijn geen sprake.

De ellende bij discussies over een club als Martijn is dat seksualiteit ondanks vijftig jaar seksuele revolutie zo met taboes en emotionele verwarring omgeven is dat we er nauwelijks zakelijk over kunnen denken, laat staan praten. Het kleinste vraagteken bij gangbare opvattingen roept al gauw heftige emoties op. En als het om pedoseksualiteit gaat komt daar nog eens de ophef over seksueel misbruik door een forse groep geestelijken en de zaak van meneer M. bij. Of die geestelijken tot de doelgroep van Martijn behoorden, betwijfel ik, maar meneer M. behoorde daar inderdaad toe, al kunnen we er zonder meer van uitgaan dat de vereniging zijn gedrag afkeurde. Als de vereniging een subcultuur had gecreëerd waarin men overtreding van de wet vergoelijkt, had de rechter dat beslist gemeld. De conclusie dat Martijn een bedreiging van de openbare orde vormt, was daar namelijk een stuk sterker van geworden.

Hoe dan ook, als ik mij seksueel tot kinderen aangetrokken voelde, zou ik vast zo nu en dan piekeren over de vraag wat er nu precies zo tegen is op het door mij begeerde contact, en me afvragen of er geen situaties denkbaar zijn waarin dat moreel heel wel verdedigbaar is. In het huidige klimaat kun je die vraag eigenlijk niet stellen zonder je ernstig verdacht te maken, maar dáár wordt hij niet minder redelijk van.

Het argument dat er sprake is van machtsverschillen, zou me maar matig overtuigen. Voor zover dat machtsverschil voortkomt uit een verschil in lichamelijke kracht, bestaat het in zeer veel, zo niet in alle relaties. En voor macht die te maken heeft met subtielere, psychologische mechanismen – macht die minstens evenzeer gegeven als verworven is – geldt in feite hetzelfde. Als het verschil tussen kinderen en volwassenen is dat volwassenen die subtiele machtsmechanismen doorzien en met vanzelfsprekend gemak kunnen hanteren, is volwassenheid iets uiterst zeldzaams. Ik vrees eerlijk gezegd dat ik nu op mijn zestigste nog altijd niet zover ben. Wat dat betreft zouden we kinderen beschermen tegen een lot waar de meeste meerderjarigen ook maar matig tegen opgewassen zijn. Maar misschien is dat het punt juist wel en beschermen we ze zo heftig omdat we die bescherming zelfs zo node missen.

Als het gaat om seksueel verkeer tussen meerderjarigen, verbieden we dat alleen waar de een het opdringt aan een onwillige ander, en accepteren we dat achteraf vaak moeilijk valt aan te tonen of er sprake was van (on)willigheid en of daar duidelijkheid over bestond. Waarom zouden we daarmee niet ook genoegen nemen als het om seks met kinderen gaat? Per slot was meneer M. ook dan beslist veroordeeld …

Sterker lijkt me het argument dat kinderen voor de puberteit eenvoudigweg geen seksuele gevoelens en verlangens kúnnen hebben, dus dat seksueel contact hoe dan ook onbegrijpelijk en dus verwarrend, zo niet verbijsterend, voor ze is. Weliswaar weten we heel wat meer over de anatomische en fysiologische veranderingen van de puberteit dan over de emotionele – onderzoek naar emoties is toch al lastig, en wordt hier nog eens extra bemoeilijkt door de taboes en het ongemak van de onderzoeker zelf – maar dat pre-puberale kinderen niet toe zijn aan seksueel contact ligt op z’n minst voor de hand. En de ervaring bevestigt dat. Kinderen kunnen door seksueel getinte contacten met pedofielen flink getraumatiseerd raken. Je moet hier beslist de vraag blíjven stellen welke rol de geschokte reacties van ouders en andere volwassenen bij die traumatisering speelden, maar zolang onduidelijk is hoe je die invloed kunt beperken zul je hem als een gegeven moeten beschouwen. Vooralsnog ligt de bewijslast hier bij degene die ruimte vraagt voor seksueel contact met kinderen, en niet bij degene die kinderen daartegen wil beschermen.

Ik ken de uitingen van de vereniging Martijn op dit terrein niet en kan daar als gevolg van het besluit van de rechtbank ook geen kennis meer van nemen (op zich iets dat tegen dat besluit pleit), maar ik vermoed zo dat ze zich beperkten tot de stellige bewéring dat seks helemaal niet slecht is voor kinderen, zonder die bewering grondig te onderbouwen. Voor zo’n vermoeden heb je niet eens zo’n heel negatief beeld van de leden van Martijn nodig: zelfs als ze in feite gelijk zouden hebben is de wetenschappelijke onderbouwing voor dat gelijk zo lastig rond te krijgen dat het een wonder zou zijn als ze daarin ver gekomen waren. Een incidenteel interview met een jongere die zonder rancune, en zelfs met enige warmte terugdacht aan zijn contacten met een pedoseksueel – de VPRO zond ooit zoiets uit – is wat mager als basis voor vergaande generaliseringen. En veel meer argumenten kan ík niet bedenken. Alleen, de vraag wat er precies tegen is op seks met kinderen is op zich legitiem, en het van rechtswege opheffen van een vereniging die – hoe onbeholpen en bevooroordeeld ook – deze vraag aan de orde stelt, is in elk geval wat dat betreft een stap in een weinig verlichte richting.

De seksualiteit van pre-puberale kinderen intussen zal nog lang een academische kwestie blijven. De a priori kans dat we ooit op grond van verworven inzichten heel anders over seks met kinderen zullen denken is klein, dus daar moesten we maar niet op vooruitlopen. Dat heeft forse gevolgen voor mensen die zich seksueel tot jonge kinderen aangetrokken voelen. We moeten eisen dat zij zich onthouden van het enige seksuele verkeer dat hen zou bevredigen. En dat is een verdomd vergaande ingreep in hun persoonlijke leven.

Even een stapje terug. Als we homofilie beschouwen als een normale, natuurlijk vorm die iemands seksuele identiteit kan aannemen – en dat doe ik van harte – dan is er geen enkele reden dat met pedofilie niet evenzeer te doen. De wezenlijke verschillen zitten hem niet in de aard van de betrokkene, maar in de gevolgen van het uitleven van de door die aard opgeroepen verlangens. En hoe belangrijk dat ook is, de pedofiel zelf kan er niets aan doen dat hij voelt wat hij voelt.

Als we het hartverscheurend vinden dat homoseksuelen in bepaalde landen hun verlangen niet mogen volgen, moeten we het even hartverscheurend vinden om van pedoseksuelen onthouding te eisen. De gevolgen van die eis voor degene aan wie hij gesteld wordt, zijn namelijk in beide gevallen dezelfde.

De gangbare houding tegenover pedofielen – ‘ze moeten hun fikken thuishouden; laten ze maar een andere hobby zoeken’ – is even harteloos als de vergelijkbare houding tegenover homoseksualiteit in landen waar homo's worden vervolgd. Afschuw over een daad waartoe iemand zou kunnen komen door een ontwikkelingsweg waarom hij niet gevraagd heeft, vertalen in afschuw over een individu, is puur onrecht. ’t Gaat hier om zo ongeveer de laatste bevolkingsgroep die zo maar het slachtoffer van een klassieke heksenjacht kan worden. Nog onlangs stond er een foto in mijn krant van een voortuin van een pedofiel die volstond met wraaklustige buurtbewoners. Die buurtbewoners zijn naar mijn beste weten niet vervolgd voor deze regelrechte bedreiging. Voor zover de Assense uitspraak mensen sterkt in hun overtuiging dat het stalken van pedo’s deugdzaam gedrag is, gaat daar een grotere bedreiging van de openbare orde van uit dan van de opgeheven vereniging zelf.

Als onze omgang met pedoseksuelen niet begint met het besef dat we een zeer zwaar offer van ze vragen wanneer we ze verbieden seksueel contact met kinderen te zoeken, is die omgang gewoon onmenselijk. We moeten die eis inderdaad stellen om kinderen te beschermen tegen het gevaar dat seksueel contact – naar ons beste weten – voor ze zou kunnen betekenen, maar we moeten blijven beseffen wat we daarmee eisen.

Wie offers vraagt van mensen die van anderen niet worden gevraagd, behoort die mensen te compenseren voor het offer dat ze brengen. In het geval van pedofielen betekent dat allereerst dat ze als waardevolle medemensen worden onthaald, en dat ze alle emotionele, psychologische en sociale hulp krijgen die hun lot zou kunnen verlichten.

Daarnaast zouden we ons moeten afvragen welke mogelijkheden we pedoseksuelen kunnen bieden om, zij het dan zonder contact met echte kinderen, toch iets van een voor hen bevredigend seksueel leven op te bouwen. In het denken over kinderporno bijvoorbeeld, lopen terechte zorgen over kinderen en vrij primitieve afschuw over zelfs maar een gefantaseerd seksueel contact met een kind misschien toch wat te veel door elkaar. Kinderporno aan de productie waarvan géén kinderen, of in elk geval geen seksuele handelingen met kinderen te pas komen, berokkent niemand schade. Misschien moeten we die toch echt maar vrijelijk toestaan.

En het besef van de grenzen van ons weten zou ons hier moeten dwingen ons te blijven afvragen wat wanneer in welk opzicht wel en niet goed voor kinderen is, ook op seksueel vlak.

Mensen die worden gestigmatiseerd en bedreigd duiken onder en zoeken elkaar op. De kans is groot dat ze in hun gedeelde isolement hun stigma meer en meer als een bijzondere, en positieve eigenschap gaan zien. Zo ontstaan clubs als Martijn waarin het eigen anderszijn verheerlijkt wordt, en men zich in sektarische verblinding afsluit voor elke twijfel dienaangaande. Echt gezond is dat nooit, en waar het gaat om zoiets als pedofilie is het zelfs niet zonder gevaar – en wat dat betreft is het Assense vonnis zo onbegrijpelijk niet. Maar wie zo’n club verbiedt bestrijdt symptomen zonder oorzaken aan te pakken. Dat lost niet alleen niets op, het verergert de situatie zelfs. We gedragen ons hier als de technicus in een kerncentrale die de rode lampjes op z’n controlepaneel afplakt omdat hij iets tegen rampen heeft en er dus niet van horen wil.

We moeten toe naar een maatschappij waarin pedofielen met een gerust hart uit de kast kunnen komen en recht hebben op alle hulp die hun leven ondanks forse beperkingen toch de moeite waard kan maken.