Bart Voorzangers weblog

top

volgend

overzicht

125 Het gelijk van Turkije

Turkse bemoeienis met de Nederlandse kinderopvang leidt tot heftige verontwaardiging. Die verontwaardiging is onterecht. Wie Turkije wil verbieden wat Nederland wel mag – zijn zorgen uiten over de gang van zaken elders – meet me twee maten. We doen er beter aan eens wat langer stil te staan bij onze omgang met onze religieuze en culturele minderheden.

zaterdag, 16 maart 2013

Je kunt het geen mens en geen dienst verwijten dat die het onmogelijke nalaat. Als er voor een islamitisch jongetje dat nú uit huis moet, geen andere plek is dan een liefdevol lesbisch paar, zal het daar worden ondergebracht en rest ons niets dan grote dankbaarheid jegens het gastvrije stel en de dienst die het jongetje en hen bijeen bracht.

Het is natuurlijk treurig dat er geen gastgezinnen te vinden zijn die de thuiscultuur van het jong wat dichter benaderen, en ’t is verleidelijk het gebrek aan islamitische gastgezinnen toe te schrijven aan de comfortabele gemakzucht van mensen die hier alleen maar heen kwamen om te profiteren van ónze vrijheid en ónze welvaart. Maar wie wat meer contact met de betrokken gemeenschappen heeft, weet beter.

Islamitische gezinnen zijn vaak kinderrijk en kleinbehuisd. De ouders van zulke gezinnen hebben de handen vol aan het opvoeden van hun eigen kroost in een wereld waarin zowel zijzelf als hun kinderen maar al te vaak niet erg welkom zijn. Bovendien, áls ze zich al als pleeggezin zouden aanmelden is de kans groot dat ze worden afgewezen. Ze hebben het pleegkind weinig meer te bieden dan hun liefde, een stapelbed in een kamertje met flink wat anderen, en het beetje aandacht dat overschiet naast de vele problemen waarmee ze toch al te kampen hebben. Die liefde is goud waard, maar ik kan me goed verplaatsen in een dienst die de materiële omstandigheden ongeschikt vinden voor een waarschijnlijk toch minstens licht getraumatiseerd kind.

De Turkse overheid maakt zich zorgen over de opvang van ‘Turkse’ pleegkinderen in Nederland. Er zijn goede redenen om die zorgen weg te wuiven en boos te worden als meneer Erdogan straks op bezoek in Nederland die zorgen zou uiten. Het gaat om Nederlandse, niet om Turkse kinderen, dus Erdogan heeft geen enkele reden zich het lot van die kinderen meer aan te trekken dan die van alle andere Nederlandse pleegkinderen. De Turkse ophef over ‘Turkse’ pleegkinderen heeft alles te maken met een nare neiging van de Turkse overheid greep te willen houden op zijn voormalige burgers. Bovendien zijn er heel wat landen waar kinderen wier ouders niet voor hen kunnen zorgen, compleet aan hun lot worden overgelaten, dus áls Erdogan zich voor kinderen wil inzetten zou zijn prioriteit echt elders moeten liggen.

Maar dat is het hele verhaal niet. Ook Nederland protesteert soms tegen de behandeling van burgers in verre buitenlanden. En terecht. China dient te weten dat de onderdrukking van Tibetanen de internationale gemeenschap zorgen baart. Israël dient te beseffen dat zijn omgang met Palestijnen binnen en buiten de eigen grens, elders als immoreel en het land onwaardig wordt gezien. En Amerika mag zo nu en dan best eens horen dat het een schandalig middeleeuws strafrechtsysteem heeft (al betwijfel ik dat het dat van óns vaak te horen krijgt). In al die gevallen zijn er andere landen te bedenken waar even grote of nog grotere misstanden heersen, maar dat vinden wij dan terecht het punt niet. De boodschap moet zijn: ‘We hebben nú contact met u, we stellen dat contact op prijs, maar we willen ook eerlijk zijn en u zowel onze waardering als onze kritiek overbrengen.’ En ik zie niet in waarom dat niet ook Erdogans boodschap zou mogen zijn.

Terug naar de opvang van uit huis geplaatste kinderen. De Amsterdamse wethouder Hilhorst schreef onlangs ‘Pleeggezinnen in eigen netwerk waar dat kan? Ja. Pleeggezinnen screenen op religie? Nee.’ Dat eerste is mooi, maar dat laatste baart mij zorgen. Wie niet wil kijken naar de religieuze achtergrond van pleeggezinnen, en wie daar dus bij de keuze van een pleeggezin geen rekening mee houdt (want bij gebrek aan kennis terzake niet houden kán), zegt in feite: religie doet er niet toe. Dat moge de mening zijn van een seculiere politicus, en van zeer velen met hem, het is niet de mening van mensen voor wie religie uiterst belangrijk is.

Voor orthodoxe gelovigen is religie de maat aller dingen, en vormt het de kern van wat ze al opvoedend aan hun kinderen willen meegeven. Wie daar geen rekening mee wil houden waar dat wél kan, berooft zulke mensen van wat zij als het fundament van hun bestaan zien en maakt zich daarmee schuldig aan bruut cultureel imperialisme.

Het probleem is dat modale seculiere Nederlanders zich nauwelijks meer in die religieuze geestesgesteldheid kunnen verplaatsen. We zien die religie wel, en willen hem ook beslist niet verbieden. God verhoede! Maar we beschouwen hem als een betreurenswaardig gebrek, een grauwsluier van misverstanden en vooroordelen waar die gelovigen eigenlijk alleen maar last van hebben, en waarvan ze het beste maar zo snel mogelijk bevrijd kunnen worden. Ik krijg uit veel commentaren in mijn kranten en op internet dan ook de stellige indruk dat velen het wel mooi vinden dat een jongetje uit een islamitisch gezin werd ondergebracht bij een lesbisch echtpaar: een unieke gelegenheid om dat jongetje los te weken uit een minderwaardige cultuur.

Op de achtergrond speelt bij dit alles een cruciale vraag: hoe tolerant zijn wij? Het gangbare idee is dat wij een tolerant land zijn waar ieder zijn geloof in vrijheid kan beoefenen, zijn kinderen in vrijheid kan opvoeden, zich politiek in vrijheid kan uiten en organiseren, en binnen de grenzen van een levensbeschouwelijk neutrale wet kan doen en laten wat hij wil. De werkelijkheid echter is er een van mitsen. Ja, je mag geloven wat je wilt, mits dat geloof maar niet strijdig is met onze normen en waarden. Ja, je mag je kinderen grootbrengen met een geloof, mits je ze daarbij geen dingen leert die afwijken van onze waarden en waarheden. Ja je mag je naar hartelust politiek organiseren, mits je je daarbij houdt aan wat wij normaal en fatsoenlijk vinden. We stellen grenzen en dwingen die waar mogelijk met de wet in de hand af. We doen dat met een beroep op de rechten van de mens, die voor ons betekenen dat mannen en vrouwen, homo’s en hetero’s, gelovigen en ongelovigen wat welke signatuur dan ook, gelijkwaardig zijn en in alle opzichten gelijk behandeld dienen te worden. En we doen daar een beroep op omdat die rechten naar onze overtuiging universeel en onopgeefbaar zijn.

Maar in feite verschilt onze houding in dezen in niets van die in ándere landen waar wij juist grote bezwaren tegen hebben. Ook in Saoedi-Arabië mag je geloven, denken, zeggen en doen wat je wilt, mits je je maar niet buiten de grenzen begeeft van wat dáár als onopgeefbare en universele waarden en normen gelden.

Misschien moesten we toch maar eens kiezen. Willen we een land als Saoedi-Arabië zijn, waar alles en iedereen zich te onderwerpen heeft aan de de heersende moraal? Of willen we ons juist van zulke landen onderscheiden door onze tolerantie?

En besef daarbij wel dat dat laatste pijnlijke consequenties heeft. Tolerantie betekent pas iets als je ruimte geeft aan overtuigingen en gedrag die je pertinent en principieel afwijst. Tolerantie ben je pas als je er alles aan doet om voor een ernstig ontdaan islamitisch jongetje een pleeggezin te zoeken waar het de liefde en warmte vindt die het nodig heeft, én die opvoeding krijgt die zijn ouders voor hem in gedachten hadden – ook waar dat indoctrinatie met in jouw ogen verfoeilijke ideeën omvat. Tolerant ben je pas als je pleeggezinnen wel degelijk screent op religie, gewoon omdat dat voor gelovigen een wezenlijke, ja zelfs de meest wezenlijke, dimensies van het leven en dus van de opvoeding is.

Tolerantie is niet iets voor bange mensen. ’t Is dan ook een schaars goed.