Bart Voorzangers weblog

top

volgend

overzicht

129 Het belang van groepen en hun geschiedenis

Mijn eerdere verhalen over het jodendom leidde tot stevige reacties op de website Israël-Paelstina Informatie. Aangezien het hierbij nu eens niet ging om de op internet helaas gebruikelijke reaguurders-bagger, leek het me goed er zorgvuldig en uitgebreid op te reageren. Mijn reactie van vandaag, op Doriths openhartige en doorleefde pleidooi voor het Joodse volk, heeft wellicht net voldoende eigen benen om ook hier te kunnen staan.

donderdag, 11 april 2013

Beste Dorith,

je vele woorden zetten me flink aan het denken, maar één ding vooraf: ik begrijp heel goed dat het veel voor je betekent Joods te zijn. En de ‘liefde’ waarvan je schrijft, kan ik goed plaatsen. Ik heb lang een davidster gedragen. Maar liefde, hoe mooi en zegenrijk vaak ook, is niet erg rationeel, en kan soms tot vreselijke dingen leiden. De mensen die zichzelf op drukke plaatsen in jouw mooie land opbliezen, deden dat uit liefde, liefde voor hún volk, waarvan jij terecht aangeeft dat ook dat alleen bestaat als hersenspinsel.

Je gaf eerder een definitie van ‘volk’ – ‘een groep met een gedeelde taal, cultuur en geschiedenis’. Aanvankelijk leek me dat wel een aardige definitie, maar bij nader inzien heb ik toch een bezwaar: ik spreek dezelfde taal als mijn mede-Nederlanders, en cultureel zijn de verschillen ook niet zo vreselijk groot, maar een gedeelde geschiedenis? Mijn geschiedenis begint bij mijn geboorte, en die deel ik min of meer met leeftijdsgenoten uit hetzelfde gebied. Dat gebied heeft een geschiedenis die veel en veel verder teruggaat, maar waarom zou ik die als deel van míjn geschiedenis zien? Ik had part nog deel aan bijna honderd procent ervan, en daarin verschilt hij nauwelijks van pak weg de geschiedenis van Italië of Ethiopië. Ik ben altijd weer verbaasd als iemand ‘trots’ is op Erasmus, Rembrandt of Spinoza omdat die uit hetzelfde gebied of zelfs dezelfde stad kwamen als zij. ‘Nou èn?’ denk ik dan. Wat is het voor onzin om je zo mensen uit het verleden toe te eigenen? Ik vrees dat we de verklaring voor die toe-eigening moeten zoeken in de menselijke psychologie.

Mensen willen deel uitmaken van een groep, en dan liefst een met een geschiedenis. Het belang van die groep wordt nog eens te groter als er een ándere groep is waar ze juist niet bijhoren. Hang de helft van de kinderen in een klas een blauwe sjerp om, en de ander helft een rode, en je ziet binnen de kortste keren dat de roden zich beter gaan voelen dan de blauwen, en andersom. Ze voelen zich allemaal groter en sterker dan voorheen. En ze praten al snel met elkaar over eerdere prestaties van individuele roden, of blauwen, die voor hun gevoel ook op henzelf afstralen. Amsterdammers voelen zich verheven boven Rotterdammers en vice versa, en voor je het weet halen ze Ajax en Feyenoord, of als ze wat hoger zijn opgeleid, Spinoza en Erasmus erbij. Zulke groepen ontstaan vaak spontaan, en ze houden elkaar in stand met wederzijdse grapjes, hatelijkheidjes, en soms ook erger, veel erger zelfs. We zijn groepsdieren, en zullen dat altijd blijven, maar vanwege de mogelijkheid dat groepen elkaar gaan haten en geweld gaan gebruiken, hamer ik er graag op dat we die groepen toch vooral als fictie blijven herkennen. De behoefte ergens bij te horen is een onontkoombaar gegeven. De kracht, het vertrouwen, het zelfvertrouwen, die ‘onze’ groep ons geeft, is een psychologische realiteit waar we ook vooral ons voordeel mee moeten doen. Maar de groep zelf is fictie.

Wie naar de regenboog kijkt, ziet een rij banden met elk hun eigen kleur. Die banden zijn een illusie, of preciezer: de grenzen ertussen zijn dat. In werkelijkheid verloopt de golflengte van het licht dat we zien volstrekt geleidelijk van infrarood naar ultraviolet. De mensheid, de mens als soort, is ook zo’n regenboog waarin allerlei kenmerken heel geleidelijk variëren. Toch delen we die soort al snel in groepen op. Het woord ‘ras’ is inmiddels taboe, maar het woord ‘volk’ is dat niet, dus gebruiken we dat daar maar voor.

Als je zou willen, zou je heel goed een rijtje van bijvoorbeeld duizend mensen kunnen opstellen met een ‘typische’ Chinees aan het ene uiteinde en een ‘typische’ Hutu aan het andere uiteinde, waarbij elk van die duizend mensen sprekend op zijn buren lijkt. De grenzen tussen ‘volkeren’ zijn net zo fictief als die tussen de kleuren van de regenboog. De verschillen die we tóch zien tussen de volkeren die we zo graag onderscheiden, ontstaan als je bijvoorbeeld de nummers 125 tot 130 uit dit rijtje opeens tussen nummer 800 en 801 zou zetten. Dat vijftal wordt dan opeen een groep met duidelijke groepskenmerken, en als we die vijf ook echt zouden dwingen te verhuizen, van pakweg Turkmenistan naar pakweg het zuiden van Egypte, zullen zij en hun nakomelingen daar nog lang als ‘anders’ herkenbaar blijven, zelfs als ze gemengde zouden huwen. Mensen hebben een scherp oog voor ‘anders dan zijzelf’. Hoe scherp drong pas echt tot me door toen ik het verhaal las van een Amerikaanse met een zwarte vader en een blanke moeder: in de ogen van haar vaders familie was ze ‘wit’, in die van haar moeders familie ‘zwart’ – in beide gevallen ‘anders dan wij’. ’t Zal voor haar nakomelingen nog lang zo blijven. En waar ‘anders dan wij’ leidt tot een andere behandeling, krijg je al snel een samenleving die op potentieel explosieve wijze in groepen verdeeld is.

Ik denk dat we hier toch echt moeten proberen om ons emotioneel zo inleefbare denken in groepen, in ‘volken’ in dit geval, met ratio en kille feiten te bestrijden. Er komt te veel ellende van. Maar inderdaad: dat geldt dan evenzeer voor het geloof in een ‘Joods’ volk als voor dat in een ‘Palestijns’ volk. En voor het Nederlandse volk natuurlijk. Lang leve prinses Máxima!

Dorith, blijf je vooral Joods voelen als dat iets moois voor je betekent, en nogmaals, ik snap dat gevoel heel goed, maar besef tegelijkertijd dat wat je onderscheidt van Dunya in Gaza en Dafida in Tulkarem niet meer is dan de specifieke invulling van een voor ieder van jullie waardevolle fantasie.

Ik wens je alle goeds,

Bart