Bart Voorzangers weblog

top

volgend

overzicht

131 CIDI wil Turkse jongen berechten

Het tv-programma De Halve Maan sprak met mevrouw Voet van het CIDI over de Turkse jongen die antisemitische uitspraken deed. Mevrouw Voet verspreidde daarbij voortvarend desinformatie, wierp zich op als spreekbuis voor de Joodse gemeenschap die zich door het CIDI toch vast niet integraal vertegenwoordigd voelt, en gaf blijk van al het gebrek aan inzicht en empathie dat je van een voorvrouw van het CIDI verwachten kunt.

maandag, 22 april 2013

We kennen inmiddels allemaal de tv-beelden wel van de jongerenwerker die met wat Turkse jongens praat. Een van de jongens, laten we hem A noemen, deed daarbij de schokkende uitspraak dat hij heel tevreden was over wat Hitler met de Joden deed. B en C sloten zich daar aarzelend bij aan. De jongerenwerker reageerde geschokt en vroeg waar ze die haat jegens Joden vandaan haalden. B legde uit dat die voortkomt uit wat de Joden in Palestina doen, al noemde hij daarbij alleen Gaza. Weet hij veel. De vraag of ze beseften dat heel veel Joden het daar evenmin mee eens zijn, leidde tot schouderophalen. En toen de jongerenwerker vroeg wat ze wisten over de Holocaust en over Anne Frank, reageerde alleen D. die we tot dan nog nauwelijks hoorden. Híj wist te melden dat zij enkele dagen voor het einde van de oorlog aan tyfus overleed. D wist duidelijk meer dan zijn kompanen.

A was zeventien, en hij leek me typisch zo’n jongen die zich in een groep alleen kan handhaven door net iets te nadrukkelijk net iets te heftige dingen te doen en te roepen, en in elk geval nooit maar dan ooit nooit ter plekke toe te geven dat hij over de schreef ging. Later, zonder groepsgenoten in gesprek met de politie, kon hij dat wel. Een persbericht van het Openbaar Ministerie: ‘De jongen heeft zelf gelijk bij de politie erkend dat deze uitlatingen onaanvaardbaar zijn en zijn excuses aangeboden.’

Het OM heeft de zaak onderzocht en besloten een niet met name genoemde jongen – ’t zal A geweest zijn, die uitte zich immers het heftigst – een ‘strafbeschikking’ op te leggen: een maatregel waarvoor geen rechtelijke uitspraak nodig is (maar waartegen de gestrafte uiteraard in beroep kan gaan, wat dan alsnog tot een rechtszaak leidt).

Mevrouw Esther Voet, directeur van het CIDI, is het niet met dit OM-besluit eens en kwam afgelopen vrijdag in het tv-programma De Halve Maan uitleggen waarom niet. Zij noemde de uitspraak van de betrokken jongen ‘abominabel’ en meende dat die niet aan dommigheid kon worden geweten: ‘De jongens wisten zelfs te vertellen dat Anne Frank aan tyfus was overleden’ dus ze waren echt goed op de hoogte. Dat dat voor D gold, die zich in het gesprek verder op de vlakte hield, en niet voor A, liet mevrouw Voet wijselijk in het midden.

Volgens mevrouw Voet had het OM de zaak aan de rechter moeten voorleggen, maar liet het dat na uit angst dat een stevige uitspraak tot extra maatschappelijke beroering zou leiden. ‘Ik denk dat het OM denkt “Dit is zo’n groot probleem. Laten we maar doen alsof het er niet is.”’ Mevrouw Voet concludeerde dit uit het persbericht van het OM, maar daar staat toch echt iets anders. Het OM koos voor een strafbeschikking vanwege ‘de jonge leeftijd van de verdachte … en het belang van een snelle afdoening’. En dat lijkt me heel verstandig van het OM.

Mevrouw Voet zei te hebben begrepen dat de jongen een dagje mee moet lopen in het Anne Frankhuis en ze ging er kennelijk van uit dat dat ene dagje alles is. Het OM vermeldt alleen dat ‘het zwaartepunt’ bij de strafbeschikking ‘zal liggen op een educatieve sanctie in plaats van een geldboete of kale taakstraf’, en dat die beschikking zal worden opgesteld na een gesprek met de jongen en overleg met ‘instanties en organisaties … die zich bezig houden met het bestrijden van antisemitisme en discriminatie’. ’t Is vooralsnog de vraag of dat al tot een definitief besluit heeft geleid. Het OM zelf heeft zo’n besluit in elk geval nog niet publiek gemaakt.

Op de vraag wat er volgens mevrouw Voet dan wel zou moeten gebeuren, zei ze allereerst dat ze had begrepen dat de jongens aan de politie hun excuses hadden aangeboden. Dat is dus inderdaad gebeurd, zij het niet door ‘de jongens’ maar door A. Mevrouw Voet had die excuses als hoopgevende eerste stap kunnen zien, maar in plaats daarvan schamperde ze ze weg met een ‘Mag dat aan ons, aan de Joodse gemeenschap!? Namens die zit ik hier.’ De directeur van een pro-Israëlische club als vertegenwoordigster van dé hele Joodse gemeenschap? Als we dat accepteren kunnen we het níemand ooit nog kwalijk nemen dat hij of zij joden en Israël verwart.

Vervolgens zei mevrouw Voet te denken ‘dat die jongen zich wel twee keer zal bedenken als hij een half jaar lang zaterdagochtend vroeg z’n bed uit moet om papiertjes te gaan prikken in Park Sonsbeek, ik noem maar wat.’

Waarom mevrouw Voet dat denkt is onduidelijk. Ze was – deels beslist terecht – verontwaardigd over het feit dat de geïnterviewde jongens in hun buurt als helden waren ingehaald terwijl de jongerenwerker met verwijten was overladen (daarover zo meer). Maar de combinatie van heldendom en straf is geen handige: die leidt voor je het weet tot martelaarschap. Dat mag geen reden zijn om iemand een verdiende straf te onthouden, maar je weet in elk geval zeker dat de gestrafte zich hoogstens zal bedenken alvorens de gewraakte uitingen te herhalen op een daarvoor onhandige plek. Van die ‘twee keer’ zou ik niet uitgaan.

Te hopen valt dat het OM bij de definitieve invulling van zijn strafmaatregel rekening houdt met de gevolgen voor de gestrafte en zijn omgeving. Dat we A’s uitingen niet pikken is hem inmiddels wel duidelijk (als het dat hem vooraf niet al was). Zaak is nu er voor te zorgen dat hij gaat inzien waarom, en liefst ook dat hij nog eens over zijn eigen ideeën nadenkt. Een educatief traject bij het Anne Frankhuis zou daarbij zeker kunnen helpen en het helpt vast ook als hij kennismaakt met joden en Israëli’s die zich net als hij ernstige zorgen maken over de ‘abominabele’ manier waarop het Israëlische bewind omgaat met zijn islamitische burgers en de bewoners van de bezette gebieden. Maar of papiertjes prikken in Sonsbeek tot de naar ik hoop beoogde bezinning leidt, betwijfel ik ten zeerste.

Een der interviewers wekte de indruk, en mevrouw Voet deed niets om die indruk weg te nemen, dat de jongerenwerker niet alleen met verwijten was overladen – hij zou de jongens ‘erin geluisd’ hebben – maar dat hij daarvoor door de voorzitter van de moskee in de buurt ‘strafrechtelijk gewaarschuwd’ is.

Dat laatste nu is onzin. Die pin op zijn neus kreeg hij inderdaad, maar dan van het OM, en dat niet vanwege dat ‘erin luizen’, maar vanwege een ‘strafbare belediging’ die hij uitte tijdens een later gesprek in de wijk waar hij werkt.

Het eerste – die verwijten – klopt wellicht wel. En als hij zijn pupillen inderdaad voor de leeuwen gooide zonder ze vooraf te wijzen op de mogelijke gevolgen van het gefilmde gesprek, lijken die verwijten me ook gewoon terecht. Van een jongerenwerker mag je verwachten dat hij enig inzicht heeft in groepsprocessen bij jongeren en het onbezonnen stoer doen waar die toe kunnen leiden. Daartegen had hij hen moeten beschermen.

Kortom, we kunnen terugkijken op een interview waarin mevrouw Voet flink wat desinformatie hielp verspreiden, waarin zij zich dapper opwierp als spreekbuis voor mensen die haar vast niet allemaal als spreekbuis wensen, en waarin ze blijk gaf van al het gebrek aan inzicht en empathie dat je van een voorvrouw van het CIDI verwachten mag.

Rest de algemenere vraag wat je aan moet met uitspraken waarbij de haren je te bergen rijzen. Als het daarbij gaat om de uitspraak van een eenzame gek, is publiekelijk negeren en in beslotenheid hulp bieden al zeker het verstandigst. En als zo’n uitspraak wordt onderschreven, of minstens begrepen, en hoogstens een pietsie te expliciet gevonden, door flink wat anderen, dan creëer je met strafrechtelijk optreden vooral martelaren en een gevoel van rechtsongelijkheid: ‘Anderen mogen over ons zeggen wat ze willen, maar o wee als wij iets zeggen over anderen’. (En laten we wel wezen: over de ronduit racistische ideeën over Arabieren die ten grondslag liggen aan het Israëlische beleid, bijvoorbeeld, hoor je het CIDI maar zelden.)

Misschien wordt het toch eens tijd de wetgeving op dit punt te herzien. Aangeven dat we een uitspraak abject vinden kan heel goed zonder strafrechtelijk ingrijpen. En voor de overdracht van informatie die het oordeel áchter zo’n uitspraak kan bijstellen is een straf al zeker ongeschikt. De enige die iets opschiet met zo’n straf is degene die het fijn vindt dat anderen – vooral weinig beminde anderen – eens lekker op hun donder krijgen. ’t Is een uiterst menselijk gevoel, maar als basis voor het strafrecht wat mager.

Wordt het geen tijd dat we zo volwassen worden dat we elkaar onze veelgeprezen vrijheid van meningsuiting ook daadwerkelijk gunnen – en dat al zeker waar het gaat om de ondoordachte meningen van jongelui die de kunst van de meningsvorming pas net beginnen te beoefenen?