Bart Voorzangers weblog

top

volgend

overzicht

136 Excuses voor het slavernijverleden zouden de slavenmentaliteit in stand houden

De Antilliaanse psychiater Glenn Helberg vraagt blank Nederland de Caribische gemeenschap zijn excuses aan te bieden voor het leed en het onrecht van de slavernij. Alleen zó, betoogt Helberg, kunnen zwarten zich ontdoen van het negatieve zelfbeeld dat blanken hen met die slavernij oplegden. Zulke excuses zijn onzinnig. Geen mens kan zich verontschuldigen voor wat hij niet gedaan heeft. En wat nog belangrijker is: met zijn verzoek maakt Helberg zwarten opnieuw afhankelijk van het oordeel van blanken terwijl dat nu juist is waar hij ze van bevrijden wil.

zondag, 30 juni 2013

In het Amsterdamse Oosterpark staan zo langzamerhand heel wat beelden en monumenten. Het lelijkste daarvan is zonder twijfel het aluminium figuurzaagsel dat de moord op Theo van Gogh gedenkt; een goede tweede is het slavernijmonument dat vast stijf staat van diepe symboliek, maar dan ook verder nergens van. ’t Is goed zo; akelige gebeurtenissen verdienen geen esthetiek.

Bij dat slavernijmonument wordt morgen, 1 juli 2013, plechtig herdacht dat Nederland 150 jaar geleden de slavernij afschafte. De weekendkranten staan dan ook vol stukken over het onrecht van toen en wat dat nu nog voor mensen betekent.

De heer Glenn Helberg, psychiater en voorzitter van het Overlegorgaan Caribische Nederlanders schreef een opmerkelijk stuk in het NRC. Hij vindt dat de nazaten van de slavenhouders hun excuses moeten aanbieden voor de gevolgen die de nazaten van de slaven nu nog altijd van die slavernij ondervinden. Wat hij bedoelt is overigens net wat anders: hij wil dat blanke Nederlanders, bij monde van hun regering, hun excuses aanbieden aan de zwarte nazaten van slaven. En dat maakt een hoop uit. Nazaten van slaven zijn vaak ook nazaat van slavenhouders; als Helberg bedoelde wat hij schreef, zouden ze zichzelf excuses moeten maken. En geen mens weet welke nu levende blanke Nederlanders slavenhouders onder hun voorouders hebben of zelfs maar hoeveel of hoe weinig dat er zijn. Maar goed, dat zijn details.

Als ik Helberg goed begrijp gaat het bij de gevolgen van slavernij allereerst om het negatieve zelfbeeld van zwarten, dat in zekere zin nog altijd wordt bepaald door de minachting waarmee blanken op hen neerkijken en de stereotypen die blanken over hen hebben. Helberg schrijft over “de zwarte die tot op de dag van vandaag nog moet leren geloven in zijn eigenwaarde, denkend dat hoe blanker je bent, hoe beter dat is.”

Volgens Helberg leidden de zwarte bladzijden van de slavernij in de Nederlandse geschiedenis ertoe dat sommige blanken zich ongemakkelijk voelen.

Zij stellen zich vragen als: “Moeten wij ons schuldig voelen, wij hebben toch geen slaven gehouden?” Of: “Hoezo ligt het aan het verleden als zij het op school niet redden?” En: “Zijn ze lui, of willen ze niet verder komen?”

Mijn wedervraag is dan: “Wellicht is de Antilliaan of de Surinamer anno 2013 gevormd of misvormd door de ‘slavernijgeschiedenis’, terwijl een Europese Nederlander door de geschiedenis van tolerantie is ‘gecultiveerd’? Een geschiedenis die nota bene met Erasmus zo’n tweehonderd jaar eerder aanving dan het begin van de slavernij in de West?

Helberg constateert dat wij — zwarten en blanken — “niet in gesprek” raken “over dit gedeelde verleden”. Maar wie, zoals hij, volstrekt legitieme vragen beantwoordt met even legitieme ándere vragen, in plaats van er serieus op in te gaan, draagt zelf aan zo’n gesprek natuurlijk ook niet erg veel bij.

Over één ding worden we het waarschijnlijk snel eens. De zwarten die in Afrika slaven maakten en verkochten, en de blanken die die slaven kochten, vervoerden, verhandelden en hielden, hebben miljoenen zwarte slaven onbeschrijflijk leed berokkend. En al heb ik het niet zo op erfelijk slachtofferschap — of daderschap — zulk leed werkt beslist nog generaties lang door. Hoe je in het leven staat wordt mede bepaald door hoe je ouders in het leven stonden, wat weer mede bepaald werd door hoe hún ouders … enzovoort.

Historici zullen nog wel even blijven twisten over de vraag hoeveel slavenhandel en slavenhouderij nu eigenlijk hebben opgeleverd, en wat hun opbrengst heeft bijgedragen aan de welvaart in Holland en Zeeland. De schattingen van die bijdrage variëren van ‘verwaarloosbaar’ via ‘gering’ tot ‘ondergeschikt’ — erzonder had menig grachtenpand vast een iets minder protserige gevelsteen gehad, en wellicht hadden sommige zelfs een etage moeten missen. Maar het idee dat “wij” “onze” welvaart danken aan “hun” ellende is een mythe. (Terzijde 1: Helberg beweert dit ook nergens, maar anderen hameren er graag op; Terzijde 2: onze welvaart wordt hier nauwelijks minder laakbaar van — wie van handel rijk wordt zet kennelijk zowel zijn leveranciers als zijn klanten af.)

We zullen ook vast nog wel even blijven twisten over de vraag hoe slecht slaven behandeld werden. Het beeld dat wordt opgeroepen door het beschikbare archiefmateriaal bevestigt het gezond-verstandidee dat wie ook op de langere termijn profijt van zijn slaven wil hebben, redelijk fatsoenlijk met ze zal moeten omgaan. Maar er waren ongetwijfeld akelige uitzonderingen op die regel, en het zijn uiteraard juist die uitzonderingen die in het collectieve geheugen van slavengemeenschap zijn blijven voortleven, en niet zelden ook aan afgrijselijkheid hebben wonnen. Het wachten is op een evenwichtige en kritische integratie van beide typen bronnen.

Maar de morele kernvraag — moeten “wij blanken” onze excuses aanbieden voor de slavernij? — is met dit alles niet beantwoord. Mijn eigen mensbeeld is vrij deterministisch. Als ik ergens mijn excuses voor aanbied, zeg ik daarmee weinig anders dan “Het spijt me zeer dat het zo gelopen is, en dat ik deel uitmaakte van de causale keten die u deze schade berokkende”. En uiteraard hoop ik dan van harte dat ik door die ervaring zo veranderd ben dat ik een volgende keer in vergelijkbare omstandigheden anders zal reageren. Maar of ik veel te “kiezen” heb, betwijfel ik. Wie wat meer in die keuzevrijheid gelooft, zegt met excuses ook wat meer: “Het spijt me dat ik de verkeerde keuze deed”.

Maar als het gaat om excuses voor slavenhandel en slavenhouderij, is dat verschil niet echt van belang. Het gaat daar om iets waarin wij — wij blanken van nu als vermeende daders, wij zwarten van nu als vermeende slachtoffer — hoe dan ook geen rol hebben gespeeld. Hoe je je zou moeten verontschuldigen voor gebeurtenissen waarin je alleen al geen rol had vanwege het simpele feit dat je nog niet bestond, ontgaat me. Meer dan “Het spijt me oprecht dat uw voorouders zoveel leed is aangedaan”, kan ik er niet van maken — en die spijt mag iedereen ter wereld hebben ten aanzien van al het leed dat wie ook ooit berokkend is. Evenzeer ontgaat me wat zulke excuses kunnen betekenen voor degenen aan wie ze worden aangeboden. Sterker nog, wie excuses aanvaardt van iemand die niets misdaan heeft, draait zichzelf een rad voor ogen. Het zou van grote minachting voor de geestelijke vermogens van Antillianen en Surinamers getuigen als ik ze mijn excuses aanbood voor de mishandeling van hun zwarte voorouders. Mocht een Nederlandse politicus ooit met zulke excuses komen, dan doet hij of zij dat dus beslist niet namens mij.

Blijft het feit dat de sporen van de slavernij ook nu nog zichtbaar en voelbaar zijn. De economieën van voormalige koloniën in Zuid- en Midden-Amerika waren ooit volledig gericht op productie voor Europese markten, en dat wreekt zich nu. De bevolking daar heeft vele, vele generaties lang geleerd niets na te streven en zich alles van bovenaf te laten dicteren. Die koloniale mentaliteit verdwijnt niet als bij toverslag als je mensen een eigen vlag en volkslied geeft. Volgens Helberg heeft de zwarte Caribische bevolking een erg negatief zelfbeeld, dat hij toeschrijft aan het slavernijverleden. Dat zo’n zelfbeeld een gezonde ontwikkeling, zowel van individuen als van gemeenschappen, frustreert, lijkt me zeer aannemelijk.

De vraag moet dus zijn wat we aan dat zelfbeeld en die mentaliteit kunnen doen. Het antwoord op die vraag zal allereerst afkomstig moeten zijn uit de zwarte gemeenschap, en uit de voormalige koloniën zelf, al was het maar om te voorkomen dat blanken voor de zoveelste keer beslissen wat goed is voor zwartjes in en uit de West. Maar dat betekent uiteraard niet dat we — wij blanken — elke suggestie meteen moeten overnemen. Helbergs idee dat de mogelijke oorzaak van dat negatieve zelfbeeld — de slavernij — meteen ook de sleutel voor een remedie biedt, verbaast me — alsof je iemands gebroken been kunt helen door het kleedje weg te halen waarover hij gestruikeld is. En zijn verzoek om excuses kunnen we, met alle respect, en juist ook úit respect, alleen maar afwijzen.

Maar belangrijker nog: Helbergs verzoek om excuses getuigt nu juist van de mentaliteit die hij terecht wenst te bestrijden. Het klinkt alsof hij zichzelf pas trots en eerlijk in de ogen kan kijken als die verdomde blanken anders over hem gaan denken. En daarmee houdt hij het paard angstvallig achter de wagen. Zelfrespect en geestelijke onafhankelijkheid ontwikkel je pas als je lak hebt aan wat anderen van je denken.