Bart Voorzangers weblog

top

volgend

overzicht

139 Lodewijk Asscher en de kernwaarden

Onlangs sprak Lodewijk Asscher, de minister van sociale zaken en werkgelegenheid, met zijn kamercommissie over integratievraagstukken. De minister stond pal voor de ‘kernwaarden’ van onze samenleving en dat siert hem. Maar hij probeert ze te beschermen door ze dwingend aan anderen op te leggen. En dat is nu net wat die waarden níet toestaan. Het paradoxale effect van zijn aanpak is dat de heer Asscher zo een grotere bedreiging van de Nederlandse kernwaarden wordt dan de mensen op wie zijn beleid gericht is. Een toelichting aan de hand van citaten.

zaterdag, 26 oktober 2013

De minister:

Integratie gaat over meedoen, gaat over eisen stellen, over verwachtingen naar elkaar uitspreken, en om elkaar in staat te stellen om een bijdrage te leveren aan de samenleving.

Dat het bij integratie om meedoen gaat, spreekt vanzelf. Maar het is goed dat zo nu en dan te memoreren. Als we willen dat nieuwkomers meedoen, stelt dat eisen. En wil het allemaal van harte gaan, dan stelt dat eisen aan álle betrokkenen. Het is dus mooi dat de minister hier maar liefst twee keer het woordje ‘elkaar’ gebruikt – en jammer dat hij het in het vervolg alleen over eisen aan nieuwkomers heeft.

Die nieuwkomers krijgen wat Asscher betreft best enige ruimte, maar daar zitten flink wat voorwaarden aan:

… zolang je maar onderdeel uitmaakt van die samenleving, zolang je de kernwaarden kent en deelt, zolang je meedoet aan het economisch proces, zolang je je aan de wetten en regels houdt en die ook uitdraagt, is het vanzelfsprekend, gelukkig, de vrijheid van een ieder om daarin eigen keuzes te maken, eigen voorkeuren te hebben en eigen verbanden op te zoeken. Iets anders is het als men zich georganiseerd van de samenleving afkeert …

De minister erkent het recht van mensen zich in eigen kring te organiseren en daarbinnen hun eigen keuzes te doen en hun eigen voorkeuren te volgen, zolang die eigen kring maar geen gesloten enclave wordt. Daar zal geen redelijk mens het mee oneens zijn. Tevens eist de minister dat iedereen die in dit land woont de kernwaarden kent en deelt. Dat ‘kennen’ is óók nog zo’n vreemde eis niet. Samenwerken wordt een stuk makkelijker als je weet wat voor anderen wezenlijk is, al had de minister ook hier wel even mogen zeggen dat die eis andermans kernwaarden te kennen dan wel voor álle betrokkenen geldt. Maar dat ‘delen’ zou ons moeten bevreemden. Gewetensvrijheid en geloofsvrijheid zijn in de grondwet verankerd, en die vrijheden houden toch echt in dat je géén eisen kunt stellen aan de overtuigingen van anderen, terwijl de minister dat hier wel lijkt te doen. ’t Is bij nader inzien dus toch misschien geen toeval dat hij zijn eerste eis – kennis van andermans kernwaarden – alleen aan níeuwe Nederlanders stelt: hun eígen kernwaarden doen er niet toe; die moeten ze zo snel mogelijk door de ‘onze’ vervangen.

Twee maten

Dat de minister eisen stelt aan de overtuigingen van nieuwkomers, en hen daarmee anders behandelt dan gevestigd volk blijkt eveneens uit zijn eis dat zij zich niet alleen aan wetten en regels houden – dat moet iedereen – maar dat ze die ook ‘uitdragen’. Autochtone landgenoten pleiten geregeld voor het afschaffen of veranderen van wetten, maar tegen zulk evident níet uitdragen van wetten en regels protesteert de heer Asscher nergens.

En diezelfde ongelijkheid in behandeling komt naar voren in het volgende citaat naar aanleiding van de vraag wat er van rijkswege wordt ondernomen op het terrein van de sociaal-culturele integratie:

Er is inzet op het verinnerlijken van de kernwaarden o.a. in het curriculum burgerschap in het primair onderwijs, voortgezet onderwijs en het MBO. … Ook het nieuwe instrument participatiecontract … moet wat mij betreft bijdragen aan het verinnerlijken van waarden die het je mogelijk maken om op een succesvolle manier mee toe doen in de Nederlandse samenleving.

De minister denkt bij integratie dus aan het verinnerlijken van kernwaarden. Dat verdraagt zich slecht met wat van diezelfde kernwaarden toch misschien wel de meest fundamentele is: de vrijheid van geweten. Bovendien stelt niemand die eis aan gevestigde Nederlanders die zich van deze of gene kernwaarde distantiëren. Autochtone politici die ervoor pleiten de grondwettelijke vrijheid van godsdienst of onderwijs te schrappen, geven daarmee aan de waarde af te wijzen die de wetgever ooit aan die vrijheden gaf. Maar niemand verwijt hen dat ze onze kernwaarden niet ‘delen’ en ‘uitdragen’, dat ze onvoldoende geïntegreerd zijn en zich afkeren van de Nederlandse samenleving. Niemand pleit ervoor een curriculum burgerschap voor zulke politici te ontwikkelen, of ze een participatiecontract op te dringen. En terecht wat mij betreft. Het recht om kernwaarden af te wijzen lijkt me een groot goed. Wie nieuwkomers dat recht ontzegt zonder dat ook anderen te doen, meet met twee maten en neemt een loopje met die kernwaarden zelf.

De rector van de IUR

Duidelijker nog wordt de heer Asscher als hij het heeft over de Islamitische Universiteit Rotterdam waarvan de rector onlangs dingen zei en schreef die hem – de minister – en anderen in het verkeerde keelgat schoten.

Die universiteit wordt geacht een brugfunctie te vervullen tussen de islamitische en de westerse cultuur en beschaving … maar nu zijn er uitlatingen gedaan door de rector van die instelling die de kamer, maar mij ook, zeer tegen de borst stuiten. Stenigen als een van de voorgeschreven straffen, mannen die vrouwen mogen slaan, allemaal uitspraken die op geen enkele manier stroken met de kernwaarden van de Nederlandse samenleving, van onze democratische rechtstaat, zoals gelijkheid tussen man en vrouw, en waar ook bij hoort dat we geen andere rechtssystemen dulden in Nederland. …

De rector schreef inderdaad dat steniging een binnen de islam voorgeschreven straf is, maar hij deed dat in een boek over islamitisch recht, en hij deed daarmee een feitelijke mededeling die, mits juist, in zo’n boek ook geheel op zijn plek is. Nu valt er over de juistheid van die mededeling te twisten – de koran kent steniging als straf niet; de sharia wel (net als de bijbel trouwens), maar die beroept zich daarbij op de traditie die ook veel moslims als mensenwerk erkennen. Steniging als straf is binnen de islam dan ook beslist niet onomstreden. Maar ik neem niet aan dat de minister hier positie kiest in een theologisch-juridisch debat. Hij gaat er, mogelijk terecht, van uit dat de rector een voorstander van islamitisch recht is en dat in Nederland graag ingevoerd zag. En dat zint de minister niet. De rector dient te vinden dat steniging en allerlei andere aspecten van de sharia onaanvaardbaar want strijdig met de Nederlandse kenwaarden zijn.

Nu stelt de rector in zijn boek eveneens dat individuele moslims niet op eigen houtje tot steniging mogen overgaan. Hij erkent daarmee dat zo’n straf in landen als Nederland onmogelijk, want strijdig met ’s lands wet is. En hij geeft daarmee tevens aan dat moslims zich aan die wet hebben te houden. Maar dat is de minister kennelijk niet genoeg. De rector moet vinden dat de wet niet veranderd mag worden, en daarmee beneemt de minister de rector het recht op een met zijn (interpretatie van zijn) religie strokende mening, en dus beneemt hij hem de vrijheid van geweten, de vrijheid van godsdienst en de vrijheid van meningsuiting. De Nederlandse kernwaarden worden hier inderdaad ondergraven, alleen gebeurt dat niet door de rector van de IUR maar door de minister zelf.

De rector van de IUR deed in verschillende contexten nog een hoop andere uitspraken en sommige daarvan zijn zacht gezegd weinig verheffend. Maar wat de minister zou moeten beseffen is dat niemands democratische rechten belangrijker zijn dan die van mensen met wie je het fundamenteel oneens bent. Zoals wie dan ook (Voltaire was ’t naar alle waarschijnlijkheid niet) ooit zei: ‘Ik verafschuw uw meningen, maar ik heb mijn leven over voor uw recht ze te uiten.’

Het democratisch belang van dissidenten

Nieuwkomers die bepaalde aspecten van de nu in de Nederlandse wet verankerde normen en waarden afwijzen, verschillen daarin niet wezenlijk van de al eerder genoemde Nederlanders die de grondwettelijke vrijheid van godsdienst of van onderwijs willen schrappen. En beide groepen hebben illustere voorgangers: de eerste pleitbezorgers van ruimere mogelijkheden voor abortus of euthanasie, de moedige enkelingen die zich zo’n eeuw geleden inzetten voor vrouwenkiesrecht, en de voorvechters van het afschaffen van de doodstraf en van de slavernij nog weer eerder. Al die pioniers vochten voor zaken die de grote meerderheid destijds fundamenteel in strijd achtte met ‘de’ Nederlandse kernwaarden. Als zulke ooit kleine minderheden niet hadden vastgehouden aan hun recht om hun mening naar voren te brengen en te bepleiten, waren abortus en euthanasie nu gewoon nog verboden, zou vrouwenkiesrecht nog altijd een stiekeme droom zijn, werden er nog steeds regelmatig veroordeelden terechtgesteld en was slavernij nog altijd toegestaan. Ik moet daar niet aan denken, en de minister ongetwijfeld ook niet.

Een vitale democratie kent een permanente discussie over zijn kernwaarden. Voor die discussie zijn dissidente minderheden onontbeerlijk. En de moraal van die minderheden zal door de meerderheid altijd als bedreigend en regelmatig zelfs als abject worden ervaren. Wie niet bereid is zulke ‘abjecte’ meningen te tolereren, kiest voor een land waarin wetten en waarden in graniet gebeiteld zijn en waarin dissidente minderheden worden heropgevoed middels burgerschapscurricula en participatiecontracten, of iets ingrijpenders als dat allemaal niet helpt – het soort land dus dat we kennen uit het voormalige Oostblok, en dat in veel ons daar onwelgevallige opzichten lijkt op het huidige Iran of Saoedi-Arabië.

Een populistisch klimaat is niet bevorderlijk voor dissidenten, maar van een bezonnen minister mag je verwachten dat hij zich niet door zo’n klimaat laat meeslepen.

(Alle citaten zijn ontleend aan de via internet uitgezonden vergadering van de vaste kamercommissie voor sociale zaken en werkgelegenheid op donderdagmiddag 17 oktober 2013; de cursiveringen zijn van mij.)