Bart Voorzangers weblog

top

volgend

overzicht

150 De paradox van een anti-IS-verklaring

De oproep aan moslims zich te distantiëren van islamistisch geweld is een impliciete en daarmee perfide verdachtmaking verhuld als schijnbaar redelijk verzoek.

vrijdag, 26 september 2014

Onder de kop “Geweld djihadisten besmet alle moslims” gaan twee leden van “het filosofisch elftal” van Trouw* vandaag met elkaar (en een interviewer) in gesprek over de vraag of moslims zich behoren te distantiëren van islamistisch geweld. De interviewer geeft de aftrap: “Hebben de daden van iemand met wie je een woord deelt consequenties voor jou?”

Van Tongeren werpt tegen dat het niet om zomaar een “woord” gaat, maar om een “naam”. Zijns inziens doet dat ertoe omdat mensen een bijzondere band hebben met hun naam. Spruyt stemt daarmee in en geeft dan als voorbeeld dat hij zich als christen ongemakkelijk voelt bij geweld gepleegd uit naam van het christendom omdat “… die mensen hetzelfde boek lazen of lezen als ik, en in eenzelfde traditie stonden of staan”.

Van Tongeren: “Collectieve verantwoordelijkheid bestaat niet in de zin dat elk lid van een groep activistisch verantwoordelijk is voor datgene wat een ander lid van die groep gedaan heeft. Maar het bestaat wél in de zin dat ik niet alleen feitelijk voel, maar ook hoor te voelen dat een wandaad van een groepsgenoot ook op mij afstraalt.”

Van “naam” zijn we zo in korte tijd via “traditie” bij “groep” beland. Nu is een groep (net als een traditie overigens) zo groot of klein als je zelf maar wilt. Ik kan me goed verplaatsen in moslims die IS-strijders helemaal niet zien als behorend tot dezelfde traditie of groep als zijzelf. Wat IS-strijders en onze islamitische landgenoten gemeen hebben is het woord waarmee ze elk voor zich hun eigen religie aanduiden, maar wat ze met dat woord bedoelen kan zeer verschillen. ’t Is hetzelfde woord qua klank, niet qua betekenis. Wat dat betreft verhoudt het geloof van mijn vriend Ali zich tot dat van IS-strijders als de bank waarop u de krant leest tot de bank waar u uw hypotheek afsloot. Van filosofen mag je verwachten dat ze dat soort schijnovereenkomsten doorzien.

Dat je als lid van een met een bepaald woord aangeduide groep het gevoel kunt hebben dat de daden van mensen die eveneens tot een met dat woord aangeduide groep behoren ook op jou “afstralen” kan ik me best voorstellen, maar dat je dat ook hoort te voelen gaat net één stap verder, en die buitengewoon cruciale stap beargumenteert Van Tongeren nergens. Hij maakt wel iets anders duidelijk: “Je staat via de naam in een symbolische relatie tot bepaalde daden.” Kennelijk vormen naam, traditie en groep voor hem één geheel, en wel een geheel dat “symbolische relaties” teweegbrengt. Wat dat zijn, “symbolische relaties”, waar en hoe die ontstaan, wat voor consequenties ze hebben en waarom ze die hebben, legt hij allemaal niet uit. Het creëren van gehelen uit een brei van vagelijk geassocieerde woorden geeft weliswaar een prettig gevoel van samenhang, maar tot erg veel helderheid leidt het niet.

Voor Van Tongeren betekent dit alles “niet dat elke moslim nu moet gaan zeggen dat hij afstand neemt van IS. Maar elke moslim zal wel moeten erkennen dat hij er onvermijdelijk mee verbonden is en zelf een manier zien te vinden om zich ertoe te verhouden.” (U heeft gelijk: die zin loopt niet, maar wie daarop let is een kniesoor.)

Dat moslims verbonden worden met de wandaden van ISIS klopt beslist, en dat die verbinding onvermijdelijk is in tijden waarin wantrouwen de norm is, klopt al evenzeer, maar de vraag blijft wat of wie die verbinding maakt. Een simpel antwoord op die vraag is dat het ánderen zijn die dat doen: De Spruyten en Van Tongerens die bij elke islamitische landgenoot die ze tegenkomen kennelijk meteen aan IS denken. Daarmee creëren ze een probleem waartoe die islamitische landgenoot zich inderdaad moet zien te verhouden: hij wordt erdoor verdacht gemaakt. En hij wordt verdacht gemaakt op een manier die lastig te weerleggen is omdat de verdachtmaking verpakt is in een schijnbaar redelijke oproep. De aangesprokene kan daarop natuurlijk hartstochtelijk verklaren dat hij de wandaden van IS afwijst, maar als zo’n verklaring een reactie op de verdenking is – en toon maar eens aan dat hij dat niet is – bevestigt die slechts de rechtmatigheid daarvan.

De oproep aan moslims zich expliciet te distantiëren van islamistisch geweld doet mij sterk denken aan het klassieke voorbeeld van een paradoxale vraag uit leerboekjes informele logica: “Bent u opgehouden uw vrouw te slaan?” Dat lijkt een keurige ja/nee-vraag, maar of je nou “ja” of “nee” zegt, in beide gevallen geef je toe in elk geval voorheen je vrouw geslagen te hebben. De schijnbaar keurige vraag bevat een impliciete beschuldiging die je beaamt door de vraag – als vraag – te beantwoorden. De enige uitweg is dat je uit het gesprek stapt: “Die vraag deugt niet, dus ik zal hem niet beantwoorden.”


*Trouw, 26 september 2014, tweede katern; op het moment van dit schrijven op www.trouw.nl alleen toegankelijk voor abonnees.

Zie ook:

149 Grijze pakken en mensenrechten

148 Islamitisch antisemitisme

147 Luxe, comfort en de verlokkingen van de djihad

142 Dreigend fundamentalisme?

141 Onze jihadisten in Syrië

135 Silvain Ephimenco over de Ibn Ghaldoun

122 Islam en Christendom

70 ‘De Islam’ – en wat daar mis mee is

68 Afshin Elian, Jason W., en de zegeningen van de westerse wijsbegeerte

60 Islamitische onbetrouwbaarheid